Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader

“Vanaf het begin heeft de christelijke vroomheid, met name bij de overweging van de Kruisweg tijdens de Veertigdagentijd, zich gericht op de afzonderlijke momenten van de Passie. Men besefte dat daarin het hoogtepunt van de openbaring van Gods liefde en de bron van onze redding wordt gevonden. Het rozenkransgebed neemt bepaalde momenten uit het passieverhaal om de gelovigen uit te nodigen tot contemplatie en die momenten in hun hart te herbeleven” (Johannes Paulus II, "Rosarium Virginis Mariae", 22).

Geheimen van de Rozenkrans
Opus Dei - Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader

Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette, sprak Hij tot zijn leerlingen: 'Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.' Petrus en de twee zonen van Zebedeüs nam Hij echter met zich mee. Hij begon bedroefd en beangst te worden. Toen sprak Hij tot hen: 'Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.'

Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich plat ter aarde en bad: 'Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.

Toen ging hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: 'Ging het dan uw krachten te boven een uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.'

Hij verwijderde zich voor de tweede keer en weer bad Hij: 'Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink: dat dan uw wil geschiede.'

En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap, want hun oogleden waren zwaar. Hij liet hen met rust, ging weer heen en bad voor de derde maal, nogmaals met dezelfde woorden. Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen: Slaapt dan maar door en rust uit! Nu is het uur gekomen, waarop de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars. Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.' Mt. 26, 36-46.

TEKSTEN VAN DE HEILIGE JOZEFMARIA:

Bidt, opdat gij niet op de bekoring ingaat. – En Petrus viel in slaap. – De andere apostelen ook. – En jij, jonge vriend, bent ook ingeslapen..., en ik was eveneens een slapende Petrus.

Jezus, alleen en bedroefd, lijdt, en de aarde wordt met zijn bloed doordrenkt. Op de harde grond geknield, volhardt Hij in gebed... Hij huilt om jou... en om mij: het gewicht van de zonden van de mensen verplettert Hem. Pater, si vis, transfer calicem istum a me. – Vader, als Gij wilt, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan... Maar toch, niet mijn wil, sed tua fiat, maar uw wil geschiede (Lc. 22, 42). Een Engel uit de hemel sterkt Hem. – Jezus is aan doodsangst ten prooi. – Hij bidt verder, prolixius, met nog meer aandrang... – Hij komt bij ons, die slapen: Staat op en bidt – herhaalt Hij ons –, opdat ge niet op de bekoring ingaat (Lc. 22, 46). Judas de verrader: een kus. – Het zwaard van Petrus blinkt in de nacht. – Jezus spreekt: Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken om Mij gevangen te nemen? (Mc. 14, 48). Wij zijn lafaards: wij volgen Hem van verre, maar wakend en biddend. – Gebed... Gebed... De Heilige Rozenkrans, 1e droevige geheim.

Jezus bidt in de Olijfhof: Pater mi (Mt. 26, 39), Abba, Pater! (Mc. 14, 36). God is mijn Vader, ook al zendt Hij mij lijden. Hij bemint mij met tederheid, ook al brengt Hij mij wonden toe. Jezus lijdt om de Wil van de Vader te vervullen... En ik, die ook de allerheiligste Wil van God wil vervullen in het voetspoor van de Meester, zou ik mij willen beklagen als ik het lijden als reisgezel tegenkom?

Het lijden zal voor mij een zeker teken zijn van mijn goddelijk kindschap, omdat Hij mij als zijn goddelijke Zoon behandelt. En dan zal ik, zoals Hij, in mijn eenzaamheid, in mijn Getsemani, kunnen zuchten en huilen. Maar als ik dan, in de erkenning van mijn niets, op de grond lig uitgestrekt, zal tot de Heer slechts één kreet opstijgen uit het diepste van mijn ziel: Pater mi. Abba, Pater... fiat!De Kruisweg, 1e statie, nr. 1.

Bidden, dat weten we allemaal, is spreken met God. Misschien vraagt iemand: maar waarover? Waarover anders dan over de dingen van God en over de dingen waar onze dag mee gevuld is? Over de geboorte van Jezus, over zijn rondtrekken door de wereld, over zijn verborgen leven en zijn prediking, zijn wonderen, zijn verlossend lijden, zijn kruis en verrijzenis… En in de tegenwoordigheid van de Ene en Drie-ene God, met de heilige Maagd als middelares en de heilige Jozef, onze vader en heer — tot wie ik veel devotie heb — als voorspreker, spreken wij over ons werk van elke dag, over ons gezin, onze vrienden en bekenden, over onze grote plannen en over onze kleine misstappen.

Het thema van mijn gebed is het thema van mijn leven. Dit is de manier waarop ik het aanpak. Als ik mijzelf zie zoals ik ben, komt vanzelf het vaste voornemen om te veranderen, me te beteren, volgzamer te zijn aan de liefde van God. Een oprecht en concreet voornemen. Dit gaat samen met een dringend gebed tot de heilige Geest, dat ook vol vertrouwen is, om ons niet aan ons lot over te laten, want Gij Heer, zijt mijn kracht (Ps 42, 2).

Wij zijn gewone christenen, wij werken in heel verschillende beroepen en al onze bezigheden verlopen in een voorspelbaar ritme, ze volgen de normale weg. De dagen lijken allemaal hetzelfde, misschien zelfs monotoon… Maar toch: het dagelijks programma dat zo gewoon lijkt heeft een goddelijke waarde, het interesseert God omdat Christus mens wil worden in onze bezigheden en zelfs onze gewoonste handelingen van binnenuit wil bezielen.

Deze gedachte is een heldere en ondubbelzinnige werkelijkheid en is niet bedoeld als troost voor mensen die net als wij hun naam niet in het gouden boek van de geschiedenis zullen graveren. Christus interesseert zich voor het werk dat wij doen — en dat we wel duizend en één keer herhalen — op kantoor, in de fabriek, in de werkplaats, op school of op het land, of we nu ons beroep uitoefenen met ons hoofd of met onze handen. Hij is ook geïnteresseerd in het verborgen offer dat we brengen als we ons slecht humeur niet op anderen afreageren.

Denk in het gebed nog eens over deze thema”s na en benut ze om Jezus te zeggen dat je Hem aanbidt. Zo zul je midden in de wereld bij het lawaai op straat, overal, contemplatief zijn. Dit is de eerste les in de school van de omgang met Jezus. Maria is de beste lerares van die school, want zij heeft deze gelovige houding altijd gehad, deze bovennatuurlijke visie op alles wat er om haar heen gebeurde: Zij bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart (Lc 2, 51).

Laten wij vandaag aan Maria vragen om ons contemplatief te maken, ons te helpen begrijpen dat de Heer voortdurend een beroep op ons doet en bij de deur van ons hart aanklopt. Laten we haar zeggen: Moeder, U hebt Jezus ter wereld gebracht die ons de liefde van God onze Vader openbaart. Help ons Hem bij de bezigheden van elke dag te herkennen. Motiveer ons verstand en onze wil om goed te luisteren naar de stem van God en de impulsen van de genade te volgen. Christus Komt Langs, nr. 174.