Brief van de prelaat voor het Jaar van de Barmhartigheid

"Laten wij de Paus danken, met daden en met gebed, voor het afkondigen van dit bijzondere jubileum, dat een echte tijd van genade voor de Kerk en voor de wereld is."

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat voor het Jaar van de Barmhartigheid

Mijn geliefde kinderen, moge Jezus jullie behoeden!

1. Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting (2 Cor 1, 3), die, wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons met Christus ten leven heeft gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden; aan zijn genade dankt gij uw redding (….) En Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan en zetelen in de hemelen, in Christus Jezus (Ef 2, 4-6).

Woorden van sint Paulus die vanaf het begin helpen ons te richten op wat ik jullie met deze regels wil doorgeven. Wat mij beweegt jullie te schrijven is de wens dat wij ons zo goed mogelijk voorbereiden om het Jaar van de Barmhartigheid te beleven, dat afgekondigd is door paus Franciscus, bij gelegenheid van de 50e verjaardag van de afsluiting van het 2e Vaticaans Concilie. Het jaar zal zoals jullie weten beginnen op 8 december a.s. en afgesloten worden op het Hoogfeest van Christus Koning, op 20 november 2016.

Toen de Heilige Vader zijn voornemen bekend maakte om dit buitengewone Heilig Jaar af te kondigen, hebben wij de christelijke vreugde gevoeld dat het samenvalt met het laatste deel van het mariale jaar voor het gezin, dat we in de Prelatuur beleven. We hebben het opgevat als nog een teken van de bescherming van Onze Lieve Vrouw, die wij in de litanie als Koningin van het gezin en Moeder van barmhartigheid aanroepen.

Met de voorspraak van onze Moeder nemen wij onze toevlucht tot de goedheid van de Heer, die een veilig toevluchtsoord is en altijd bereid is aan onze smeekbeden te voldoen en onze persoonlijke noden te verhelpen. We kunnen van de goddelijke barmhartigheid meer liefde, meer begrip, meer broederlijkheid en meer belangstelling voor de zielen verkrijgen, want wij willen – als leden van de Kerk – eraan bijdragen om “de mens en zijn geschiedenis een menselijkere betekenis te geven”.[1] Wij gaan dag na dag voort met een vaste hoop: de Hemel laat niet na ons middelen aan te bieden om vol vrede te zijn, in de zekerheid dat de Allerheiligste Drie-eenheid altijd voor Haar schepping zorgt. Paus Franciscus herinnert ons eraan dat wij vanuit de beschouwing van de schepselen op kunnen stijgen tot de beschouwing van de vaderlijke en liefdevolle hand van God.[2]

Wij danken de Paus, met daden en met gebed, voor het afkondigen van dit bijzondere jubileum, dat een echte tijd van genade voor de Kerk en voor de wereld is. Het vervult ons allen met grote vreugde dat de Paus ons oproept om Onze Heer meer nabij te zijn, in de vroomheid en in de viering van de sacramenten – vooral de Biecht en de Eucharistie – en ook in de concrete uitingen van broederlijke liefde jegens onze naaste. Als wij volgzaam zijn aan de Heilige Geest, zullen wij gelijkvormiger worden aan Jezus Christus en meer op de hemelse Vader gaan lijken, wiens barmhartig gelaat ons in Jezus Christus is geopenbaard.

2. Deus, cui próprium est miseréri semper et párcere: suscipe deprecatiónem nostram,[3] God, aan wie het eigen is altijd te vergeven en barmhartig te zijn: neem onze smeekbeden aan, herhalen we elke dag. De barmhartigheid! Het blijkt altijd nodig om – zoals de Kerk ons uitnodigt – dieper door te dringen in dit troostvolle goddelijke attribuut, dat alle andere samenvat. Wij doen het met kinderlijk vertrouwen. Bij het afkondigen van dit buitengewone jubileum schrijft de Paus dat barmhartigheid «het woord is dat het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid openbaart. Barmhartigheid: het is de uiterste en hoogste daad waarmee God ons tegemoet komt. Barmhartigheid: het is de fundamentele wet die woont in het hart van iedere persoon, wanneer hij met oprechte ogen kijkt naar de broeder en zuster die hij ontmoet op zijn levensweg. Barmhartigheid: het is de weg die God en mens verenigt, omdat zij het hart opent voor de hoop voor altijd bemind te zijn ondanks de beperking van onze zonden».[4]

Er zijn 35 jaar verlopen sinds de heilige Johannes Paulus II de encycliek Dives in misericordia publiceerde. Hij stond stil bij de wenselijkheid om vaak deze wonderbaarlijke uitdrukking van de goddelijke liefde te overwegen. «De veelvuldige ervaringen van de Kerk en van de mensen van deze tijd sporen ons hiertoe aan; ook de smeekbeden om hulp van zoveel mensenharten en hun lijden en hoop, hun angsten eisen dit».[5]

De woorden van de heilige Johannes Paulus II blijven niet alleen volledig actueel, ze worden steeds dringender: wij hebben altijd de goddelijke goedertierenheid nodig, maar het moet gezegd worden dat in onze tijd deze nood nog urgenter is. Wanneer paus Franciscus de Heilige Deur in de verschillende pauselijke basilieken zal openen, en iedere bisschop in zijn respectievelijke diocees «zullen wij het leven van de Kerk, heel de mensheid en de immense kosmos toevertrouwen aan de heerschappij van Christus, opdat Hij Zijn barmhartigheid als de morgendauw uitstort voor een vruchtbare geschiedenis, die opgebouwd zal moeten worden met de inzet van allen in de nabije toekomst».[6] De heilige Jozefmaria heeft er, als gevolg van zijn persoonlijke ervaring, vanaf het begin van het Werk, uitdrukkelijk bij ons op aangedrongen ons te wenden tot deze geweldige liefde van God, die Zijn kinderen, de mensen, niet in de steek laat. Hij heeft ons op ontelbare manieren voorgesteld hoe wij aan de poort van Jezus’ Hart moesten kloppen.

3. De heilige Jozefmaria heeft ons geleerd alle wegen op aarde te doordrenken met de barmhartigheid die Jezus Christus op aarde is komen brengen en hij concretiseerde: onze overgave, ten dienste van de zielen, is een uiting van deze barmhartigheid van de Heer, niet alleen jegens ons, maar jegens de hele mensheid.[7] Laten wij aan de hand van onze Vader voortgaan om met de Heer mee te werken opdat deze stroom van barmhartige liefde, die vanuit het gewonde Hart van Jezus voortdurend over de mensheid uitgestort wordt, overvloedig is in elke christen en in alle mensen van goede wil.

Met deze gevoelens en verlangens nodig ik jullie, mijn dochters en zonen, uit om met echte toewijding en vreugde het Jaar van de Barmhartigheid te beginnen. Wij zullen ons laten inspireren door de leer van de Heilige Schrift, waarvan de bladzijden een schitterend loflied op de goddelijke goedertierenheid vormen; en wij zullen op bijzondere wijze stilstaan bij het voorbeeld van Christus, bij Zijn leven en Zijn leer, waarbij we proberen in deze vertrouwelijke omgang met onze Redder, de stappen van de heilige Jozefmaria te volgen, die steeds weer zijn ogen richtte op de figuur van de Goede Herder, die zich helemaal geeft voor zijn schapen (vgl. Joh. 10, 1-18), en die ons en zovele andere mensen de raad gaf steeds meer naar de Heer van hemel en aarde te kijken.

De barmhartigheid van God jegens de mensheid

4. Het Oude Testament verkondigt al op vele bladzijden het onpeilbare mededogen van God tegenover zijn schepselen. De Heer is vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig. De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte (Ps 144 [145] 8-9). En de profeten worden niet moe te waarschuwen: keert terug tot Jahwe, uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil (Jl 2,13).

Bij het Laatste Avondmaal bad Onze Heer – volgens de Joodse traditie – de Grote Hallel of grote hymne van lofprijzing; een psalm die vertelt over de wonderen die God in de schepping en in de geschiedenis heeft bewerkt; en aan het eind van elk vers worden als refrein de volgende woorden herhaald: want eeuwig is zijn genade (Ps 135 [136]).

«Krachtens de barmhartigheid zijn alle gebeurtenissen in het Oude Testament vol van een diepe heilzame waarde».[8] En evenzo wordt deze eigenschap ten volle duidelijk in het Nieuwe Testament door middel van de verlossende menswording van de Zoon van God. Jezus zelf stelde, door zijn leven te geven in het bloedige offer van het Kruis en bij het instellen van de Eucharistie en de andere sacramenten, deze hoogste daad van Liefde als fundamentele inhoud van de goddelijke barmhartigheid.

Laten we vaak de passages van het evangelie doornemen die het medelijden en het begrip van Jezus Christus jegens de mensheid tonen; vanaf Zijn geboorte in Bethlehem tot Zijn offer op Calvarië. Laten we regelmatig stilstaan bij zo veel bewijzen van zijn medelijdende barmhartigheid: wanneer Hij zieken genas en degenen die door de duivel bezeten waren bevrijdde, wanneer Hij de hongerige menigten voedde, wanneer Hij met gulle handen het brood van de goede leer uitdeelde, wanneer Hij berouwvolle zondaars tegemoet ging en hen vergaf, wanneer Hij de leerlingen uitkoos, wanneer Hij hen met een blik of enkele woorden vermaande, wanneer Hij de apostelen riep om hen over de hele wereld uit te zenden, toen Hij ons zijn moeder als onze moeder gaf, toen Hij de beloofde Heilige Geest stuurde enz. In elk van zijn daden en woorden toonde de Heer duidelijk het barmhartige gelaat van God de Vader.

Hetzelfde gebeurt in de loop van de geschiedenis van de Kerk, na de hemelvaart van Christus. Te midden van de licht- en schaduwzijden die op het pad van de christenen verschijnen, heeft het nooit aan interventies van de goddelijke lankmoedigheid ontbroken: door de Heilige Geest die in de Kerk leeft, en met de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie en de altijd actuele voorspraak van de heilige Maagd Maria worden ons de stromen van barmhartigheid geopenbaard die voortdurend over de wereld worden uitgestort. Laten we niet ophouden onze hemelse Vader daarvoor te danken: laten we de deur van ons hart heel wijd openen en trachten dat ook anderen zich met de goddelijke genade laten doordrenken.

De geschiedenis van Gods barmhartigheid

5. In zijn encycliek Dives in misericordia heeft de heilige Johannes Paulus II de barmhartigheid in het centrum van het leven van de Kerk, in de geschiedenis van de mensheid geplaatst. «In de eschatologische voleinding zal de barmhartigheid als liefde geopenbaard worden, terwijl in de situatie van deze wereld, in de menselijke geschiedenis – die tevens de geschiedenis van zonde en dood is – de liefde voornamelijk als barmhartigheid geopenbaard moet worden en ook als zodanig betoond moet worden. Het Messiaanse advies van Christus – een advies tot barmhartigheid – wordt tot programma van zijn volk, een programma van de Kerk. Maar midden in het hart van de Kerk staat steeds het kruis, omdat in het kruis de openbaring van de barmhartige liefde haar hoogtepunt bereikt».[9]

Inderdaad kunnen we het kruis niet van de verrijzenis scheiden, die beide de goddelijke liefde openbaren; in heel het paasmysterie uit zich de barmhartigheid van God. De zalige Paulus VI zei dat «de hele geschiedenis van onze verlossing door de goddelijke barmhartigheid wordt geleid, die de menselijke ellende tegemoet komt».[10]

Christus nam onze zonden op zich en «is eenmaal geofferd, om de zonden van allen op zich te nemen» (Hebr 9, 28). Onze Lieve Vrouw heeft volledig vrij de overgave aanvaard van Hem die, doordat Hij onze menselijke natuur had aangenomen afgezien dan van de zonde (vgl. Hebr 4, 15), een echt medelijden kon laten zien. Met het Magnificat sprak Maria de profetie uit: barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht (Lc 1, 50).

6. Mijn dochters en zonen: wij horen bij deze geslachten – en daar verheugen wij ons over – die de barmhartige daden van God bezingen. In zijn persoonlijk leven en in dat van het Opus Dei ontdekte onze Vader voortdurend de voorkeursliefde van de Heer. Vaak herhaalde hij dat de hele geschiedenis van het Werk een geschiedenis is van barmhartigheden van God. Noch in deze brief – zo benadrukte hij in de jaren 60 – noch in andere documenten, al zou ik er nóg zo veel schrijven, zou ik alles kunnen vertellen over deze voorzienigheid van Gods goedheid, die altijd voorafgegaan is aan de stappen van het Werk en deze heeft begeleid.[11] In deze context twijfelde hij er niet aan om te bevestigen dat de geschiedenis van het Opus Dei geknield zou moeten worden geschreven.[12] Zo onderstreepte hij beeldend dat het initiatief bij de stichting en ontwikkeling van het Werk altijd van God is uitgegaan; hém kwam het alleen toe een trouw instrument van deze goddelijke wil te zijn.

Het is inderdaad zo dat het bestaan van de heilige Jozefmaria en van het Opus Dei heel nauw met elkaar verbonden zijn, zonder dat het mogelijk is ze vanaf 1928 te onderscheiden of te scheiden. In het Werk is alles door God gedaan – heeft hij in een meditatie uitgeroepen – wat was er menselijk gesproken? Slechts een goed humeur, veel liefde tot Jezus Christus en Zijn Kerk, en ijver om te volharden, zelfs in het onmogelijke. De Heer heeft zich van mij bediend zoals ik, als kind, met de loden speelgoedsoldaatjes speelde: ik bracht ze waar ik wilde, soms onthoofdde ik ze…. Zo heeft de Heer met mij gedaan: Hij heeft mij over de paden geleid die Hij wilde, Hij heeft toegestaan dat men mij dreunen gaf, omdat ze goed voor me waren.[13]

Elk van deze omstandigheden heeft onze stichter geholpen zijn trouw en zijn overgave in de handen van de Heer te louteren. Zoals paus Franciscus heeft opgemerkt: «Iemand weet heel goed dat zijn leven vrucht zal dragen, maar zonder de pretentie te weten hoe, waar of wanneer. Hij heeft de zekerheid dat geen enkel van zijn met liefde verrichtte werken, geen van zijn oprechte zorgen voor de anderen, geen daad uit liefde voor God verricht, geen enkele edelmoedige moeite, noch pijnlijk geduld verloren gaat».[14] Daarom verloor onze Vader nooit de vrede: mijn kinderen, met het berouw komt de liefde; geen van deze werken, geen enkele moeite heeft me het gaudium cum pace doen verliezen, want God heeft me geleerd lief te hebben, en nullo enim modo sunt onerósi labóres amántium (heilige Augustinus, De bono viduitátis, 21, 26); voor wie liefheeft, is het werk nooit een zware last. Daarom is het belangrijk te leren liefhebben, want in eo quod amátur, aut non laborátur, aut et labor amátur (Ibid.): waar liefde is, is alles geluk. En dit is de grote genade van God geweest: dat hij mij als een klein kind geleid heeft, me heeft geleerd lief te hebben. Toen ik nauwelijks een volwassen jongen was, heeft de Heer in mijn hart een zaadje van vurige liefde gezaaid, en dit zaadje is vandaag, mijn dochters en zonen, een bladerrijke boom met een slanke stam, die met zijn schaduw een legioen zielen het leven teruggeeft[15].

7. Dat was de houding van de heilige Jozefmaria. Zijn toewijding aan deze veilige goddelijke haven, die we overwegen, zat diep: hij leerde het van zijn ouders thuis; die toewijding verdiepte zich tijdens zijn voorbereiding op het priesterschap in het seminarie van Logroño en in dat van San Carlos, in Zaragoza, waar een beeltenis van het Hart van Jezus, brandend van liefde en met doornen gekroond, hem diep raakte. Vervolgens, gedurende de Spaanse burgeroorlog, raakte dit hem op een nieuwe manier, zoals hij in een tijd van gebed beschrijft, aan de vooravond van het Hoogfeest van het Heilig Hart:

Mijn God, ik wil mezelf nu vlakbij de wond in uw borst zien; en aan al mijn kinderen denken, aan allen die nu levende ledematen zijn van dit levende Lichaam dat Uw Werk is. Ik noem hen bij hun naam en overweeg hun kwaliteiten, hun deugden, hun gebreken, en vervolgens zal ik U smeken, terwijl ik ze één voor één naar U toe duw: “Naar binnen!” Ik zal ze een plaats geven in Uw Hart. Zo wil ik met elk van hen doen en met allen die gedurende de eeuwen, tot aan het einde van de wereld, na hen erbij komen om deel uit te maken van deze bovennatuurlijke familie. Allen, allen verenigd in het Hart van Christus, allen één geworden door de liefde voor Hem, en allen onthecht van de aardse zaken door de kracht van deze liefde, die vergezeld gaat van de versterving. We willen zijn als de eerste christenen; we zullen hun geest in de wereld doen herleven. Laten we daarom beginnen in het Werk deze bewering waar te maken: congregávit nos in unum Christi amor.[16]

Tijdens de heilige Mis zei de heilige Jozefmaria na de consecratie altijd in stilte, innerlijk, het gebed tot de barmhartige Liefde dat hij in zijn jeugd geleerd had. In het allerbeminnelijkst Hart van Jezus ontstond de bron van zijn vaderschap in het Opus Dei, dat zich uitstrekte tot zijn dochters en zonen van alle tijden; en in het Heilig Misoffer werd hij vervuld met de verlossende ijver van Christus voor de gehele mensheid. Deze overwegingen zullen ons helpen eveneens zeker en optimistisch te zijn tijdens de zware tijden die zich in de wereldgeschiedenis of in ons persoonlijk bestaan kunnen voordoen. God is altijd dezelfde: almachtig, oneindig wijs, barmhartig; en te allen tijde weet hij uit het kwaad het goede te halen; uit de nederlagen, grote overwinningen voor hen die op Hem vertrouwen,

8. In de jaren 70, toen een ernstige crisis in geloof en moraal in de zielen een hevige schade aanrichtte, ontving de heilige Jozefmaria een nieuw licht uit de hemel, dat zijn onwrikbaar vertrouwen in Gods voortdurende hulp bevestigde. Op 23 augustus 1971, na het vieren van de Heilige Mis, brandde de Heer enkele woorden in zijn hart die, met een lichte variatie, afkomstig zijn uit de brief aan de Hebreeën: adeámus cum fidúcia ad thronum grátiæ, ut misericórdiam consequámur (Hebr 4, 16). Meteen deelde hij dat mee aan ons die op dat moment bij hem waren; enkele weken later vertelde hij het opnieuw, in de intimiteit van een familiebijeenkomst, aan zijn zonen in Rome:

Ik ga jullie iets vertellen, waarvan God onze Heer wil dat jullie het weten. Wij kinderen van God in het Opus Dei adeámus cum fidúcia – gaan met veel geloof – ad thronum glóriæ, naar de troon van de glorie, de allerheiligste Maagd Maria, Moeder van God en onze Moeder, tot wie we ons zo vaak hebben gericht als tot de Zetel der Wijsheid, ut misericórdiam consequámur, om barmhartigheid te verkrijgen. (...)

Laten we door het allerzoetst Hart van Maria naar het allerheiligst en barmhartig Hart van Jezus gaan, om Hem te vragen vanwege Zijn barmhartigheid Zijn macht in de Kerk te tonen en ons met kracht te vervullen om vooruit te gaan op onze weg en veel zielen tot Hem te trekken.[17]

Deze zekerheid zette hem ertoe aan onophoudelijk in het Woord van God te zoeken naar de meest geschikte teksten over deze toegeeflijkheid en bescherming van de Heer, om ze in zijn persoonlijk gebed te overwegen. Zo sprak hij een jaar later opnieuw over een ontdekking die zijn ziel veel optimisme en vertrouwen gaf zodat het hem hielp het grote verdriet te overwinnen welke de situatie van de Kerk hem bezorgde.

De laatste tijdzei hij – heb ik veel nagedacht over enkele teksten van de Heilige Schrift die spreken over de goddelijke barmhartigheid. Ik weet heel goed dat de exegeten verschillende betekenissen aan dit woord geven, en barmhartigheid niet alleen opvatten als wat de gewone taal eronder verstaat: mededogen, medelijden, maar ook een soort van trouw die God jegens Zijn schepselen heeft.

Kijk, hoe mooi dit is! God Onze Heer heeft zo’n groot mededogen met de mensen – want Zijn barmhartigheid houdt tevens mededogen in – , dat Zijn trouw Hem ertoe brengt barmhartig te zijn jegens ieder van ons, naar ons te kijken met de liefde van een vader en een moeder.[18]

Hij begreep de woorden van de Heilige Schrift, die hij al in zijn jeugd overwoog, steeds dieper: God vindt Zijn vreugde bij de mensen (vgl. Spr 8, 31), en daarom kon hij vol zekerheid verder gaan met de ontwikkeling van het Opus Dei; terwijl hij over geen enkel middel beschikte, moedigde dit “welbehagen” van God hem aan erop te vertrouwen dat het Werk vooruit zou gaan.

Rechtvaardigheid en barmhartigheid

9. Van de parabels waarmee de Meester aan zijn leerlingen de eigenschappen van het rijk der hemelen uitlegde, kiest sint Lucas – door een van de grote christelijke dichters[19] de notaris van de zachtmoedigheid van Christus genoemd – drie lessen uit die expliciet beschrijven met hoeveel zorg God de Zijnen zoekt: die van het verloren schaap, die van de verloren drachme en die van de verloren zoon. In die drie «openbaart Jezus het wezen van God als die van een Vader die het nooit opgeeft, totdat Hij de zonde heeft kunnen vergeven en de afwijzing met Zijn mededogen en barmhartigheid heeft overwonnen».[20]

Dit allerbeminnelijkst Hart komt met name tot uiting in de parabel van de vader die geduldig, dag na dag, de terugkeer afwacht van zijn ondankbare zoon, om hem te vergeven zodra hij teruggekomen is. De heilige Johannes Paulus II heeft het hier duidelijk over gehad in de encycliek Dives in misericórdia, en er met klem op gewezen hoe deze les op iedere mens van toepassing is. «De gelijkenis raakt indirect aan elke schending van het verbond van de liefde, ieder verlies van genade, iedere zonde (...). De erfenis die hij had ontvangen van zijn vader was een bron van materiële goederen, maar belangrijker dan dat was zijn waardigheid als zoon in het ouderlijk huis, (…) het besef van zijn verkwanselde afkomst».[21]

Onze Vader heeft met betrekking tot deze gelijkenis gezegd: de barmhartigheid die God ons betoont, moet ons altijd ertoe aanzetten terug te keren. Mijn kinderen, het is beter niet van Zijn zijde te wijken, hem niet te verlaten; maar als jullie door menselijke zwakheid toch ooit weggaan, kom dan vlug teruggerend. Hij ontvangt ons altijd, zoals de vader van de verloren zoon, met meer liefde dan ooit.[22]

Hoewel in de originele tekst – zo merkt de heilige Johannes Paulus II op – het woord ‘rechtvaardigheid’ niet wordt gebruikt, evenmin als ‘barmhartigheid’, «is de relatie tussen rechtvaardigheid en liefde die als barmhartigheid wordt aangeduid, met de uiterste zorg in de centrale leer van het evangelische beeld ingeplant. Want het staat nu duidelijker vast dat liefde overgaat in barmhartigheid, telkens als men boven de vastgestelde norm van de rechtvaardigheid moet uitgaan, juist omdat deze norm exact en vaak te beperkt is».[23]

De heilige Jozefmaria heeft deze praktische eenheid van rechtvaardigheid en liefde in het gedrag van de moeders ontdekt.[24] De rechtvaardigheid van God bevatte voor hem intense gevoelens van barmhartigheid[25]. We kunnen ons niet tot de Heer richten met een beroep op onze rechten, maar we moeten vragen dat Hij ons barmhartig is, zoals een van de psalmen bidt: Miserére mei, Deus, secúndum magnam misericórdiam tuam (Ps 50, 2). Heer, heb medelijden met mij in Uw grote barmhartigheid. We zoeken niet onze toevlucht bij Hem om rechtvaardigheid te eisen.[26]

10. Het ontbreekt niet aan mensen die de rechtvaardigheid tegenover de barmhartigheid stellen. De paus heeft ons bij de afkondiging van het jubileumjaar gewaarschuwd voor deze vergissing: «Het zijn niet twee aan elkaar tegengestelde aspecten, maar twee dimensies van één werkelijkheid die zich geleidelijk ontwikkelt, totdat zij haar hoogtepunt bereikt in de volheid van de liefde. (…)

»Bij de aanblik van een rechtspraak als louter naleving van de wet, die mensen verdeelt in rechtvaardigen en zondaars, is Jezus ertoe geneigd het grote geschenk van de genade te laten zien, die vergeving en zaligheid wil bieden aan de zondaars om hen vergeving en verlossing te schenken. Het is begrijpelijk waarom, in het bijzijn van een dergelijk bevrijdend perspectief en bron van vernieuwing, Jezus door de Farizeeërs en de wetgeleerden verworpen werd».[27]

Onze toevlucht nemen tot de goddelijke barmhartigheid

11. Als vrucht van een speciale genade van God – ik heb hier eerder aan herinnerd – heeft onze Stichter de schitterende flonkeringen van de goddelijke goedertierenheid, die in de Heilige Schrift beschreven staan steeds dieper leren kennen. Toen hij bijvoorbeeld commentaar gaf op het wonder van de opwekking van de zoon van de weduwe van Naïm, bleef hij stilstaan bij de manier waarop Onze Lieve Heer van ons hield om heilige redenen, die ons misschien niet zouden ontroeren. Sint Lucas zegt: misericórdia motus super eam (Lc 7, 13), Hij handelde uit medelijden, uit barmhartigheid jegens deze vrouw terwijl er andere, menselijk gezien redelijke, argumenten waren: ze was arm, ze was weduwe en had geen andere zoon dan deze.[28]

Die rouwstoet bestond uit een talrijke menigte, en Jezus werd ook vergezeld door mensen; maar alléén Hij dringt door in de droefheid en de smart van die moeder en Hij gaat naar haar toe. Is het niet bewonderenswaardig dat de Meester zich laat ontroeren door de barmhartige gesteltenis van zijn Hart zonder te wachten tot wij Hem onze noden kenbaar maken? Deze goddelijke en menselijke houding van de Verlosser moet voor ons een sterke stimulans zijn om op ieder moment een beroep op Hem te doen. Jullie en ik – heeft onze Vader benadrukt – moeten ook onze toevlucht nemen tot de barmhartigheid van de Heer. Tegenover God hebben we geen enkel recht. Zelf zie ik in ieder geval met overduidelijke helderheid dat ik Hem niet kan zeggen: Heer, ik eis dit van U; zelfs al weet ik dat ik Zijn kind ben en ik me ook zo voel. Ik ga naar Hem toe met zuchten van berouw, en vraag om Zijn barmhartigheid [29], met een beroep op Zijn genade.

Tijdens zijn laatste jaren op aarde, toen hij de drang voelde om met meer vertrouwen en ijver de vergeving van God te zoeken, heeft de heilige Jozefmaria het schietgebedje langer gemaakt waarmee hij zich in 1952 tot het Heilig Hart van Jezus had gericht om Hem het Werk, zijn apostolische activiteiten en de noden van de Kerk en de mensheid toe te vertrouwen: Cor Iesu Sacratíssimum et Miséricors, dona nobis pacem! Sindsdien nam onze Vader bij alles wat hij deed nog steeds méér zijn toevlucht tot de bescherming van de Hemel ten gunste van de wereld, de Kerk en de zielen.

Hier zien we de voornaamste vrucht die we van God afsmeken in het jaar dat aan Zijn barmhartigheid wordt gewijd: dat de maatschappij opnieuw de weg mag volgen van de geboden, dat de zielen zich laten aansteken door het vuur van Gods liefde, dat in alle hoeken van de Kerk een heropleving mag komen van de duidelijke leer en van de ware vroomheid. Ik maak me de woorden van de paus van harte eigen: «Hoezeer wens ik dat de komende jaren doordrenkt zijn van barmhartigheid om iedereen tegemoet te gaan en de goedheid en tederheid van God te brengen! Moge allen, zij die geloven en zij die veraf zijn, de balsem van de barmhartigheid bereiken als teken van het Rijk van God, dat al midden onder ons aanwezig is».[30]

Wees barmhartig zoals uw hemelse Vader barmhartig is

12. De kerk herbergt een constant verlangen om Gods liefde bij de mensen te brengen, zonder iemand uit te sluiten. Echter, zoals paus Franciscus opmerkt, “misschien hebben wij te lang vergeten op de weg van de barmhartigheid te wijzen en deze te bewandelen. Enerzijds heeft de verleiding om altijd en alleen maar de gerechtigheid te pretenderen, doen vergeten dat dit de eerste noodzakelijke en onmisbare stap is, maar de Kerk moet verder gaan om een hoger en belangrijker doel te bereiken”.[31]

Het is niet genoeg om God vergeving te vragen voor onze zonden en die van alle mensen. Naast dit onvervangbare gebed, komt het er op aan de barmhartigheid met onze naasten in de praktijk te beleven. Want als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar; want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben. (1 Joh 4, 20-21).

De werken van barmhartigheid, zo vaak in de Kerk verkondigd en beoefend, bieden ons een goede kans onze goede bedoelingen met daden te tonen. Het «zijn daden van naastenliefde waardoor we de medemens te hulp komen in zijn lichamelijke en geestelijke noden»[32] volgens de uitleg van de Catechismus van de Katholieke Kerk. En deze regelmatig uit te voeren is een van de aanbevelingen van de paus voor dit jaar. “De prediking van Jezus houdt ons deze werken van barmhartigheid voor, opdat wij er ons rekenschap van kunnen geven of wij wel of niet leven als Zijn leerlingen”.[33]


Jezus heeft het op een heldere manier in het Evangelie beschreven en zo een duidelijk criterium vastgesteld: Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen. Als gij bemint wie u beminnen wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de zondaars ook. Als gij leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars lenen aan zondaars met de bedoeling evenveel terug te krijgen.

Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten. Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is. (Lc 6,31-36).

De lichamelijke werken van barmhartigheid

13. De katholieke leer heeft de lichamelijke werken van barmhartigheid als volgt ingedeeld: “de hongerigen spijzen, de vreemdelingen herbergen, de naakten kleden, de zieken en de gevangenen bezoeken, de doden begraven. Onder deze werken is het geven van een aalmoes aan de armen, een van de voornaamste uitingen van de broederlijke naastenliefde: het is ook een daad van gerechtigheid die God welgevallig is”.[34] Al deze werken brengen het Mandatum novum (Joh 13, 34) in praktijk, het nieuwe gebod van de naastenliefde dat Jezus ons heeft overgeleverd. In navolging van deze aanbeveling van de Verlosser heeft de Kerk altijd blijk gegeven van een speciale liefde voor de armen, de zieken, de daklozen, mensen die hulpeloos zijn ... De Kerk heeft die woorden van de Heer bij het laatste oordeel altijd voor ogen: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan (Mt 25, 40). En met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan heeft Jezus benadrukt dat onze naastenliefde zich uitstrekt tot iedere mens.

14. In het Opus Dei, een levend deel van de Kerk, wordt er op aangedrongen de lichamelijke werken van barmhartigheid nooit te verwaarlozen. Onze stichter beoefende ze al in de eerste jaren van het Werk door de zieken in de ziekenhuizen van Madrid te bezoeken. Met grote edelmoedigheid wijdde hij zich aan de mensen in hun ellende die ze uit schaamte onder de sluier van een ogenschijnlijk normaal leven verborgen. En hij leerde de mensen die toen deelnamen aan zijn apostolaat dit ook zo te doen. Hij vertrouwde deze activiteiten toe aan de bescherming van Onze Lieve Vrouw, en zo zijn in het Opus Dei de bezoeken aan de armen van de Heilige Maagd Maria ontstaan. Dit wordt nog steeds gedaan, overal ter wereld waar gelovigen van de prelatuur aanwezig zijn: op zaterdag, de dag van de Heilige Maagd Maria, worden de jongeren uitgenodigd om een gift te geven. Deze aalmoes is bestemd om mensen in nood te helpen. Door de armen te helpen wordt Maria geëerd en de naastenliefde in praktijk gebracht.[35] Ze zijn een middel om de jeugd te vormen, omdat ze de vrijgevigheid van de jeugd bevorderen en zo groeien ze in de liefde.

Terwijl de heilige Jozefmaria steeds meer besefte hoezeer God voor Zijn schepselen zorgt, deed het hem verdriet te zien hoe de rijkdommen van de aarde verdeeld zijn onder een klein aantal mensen en hoe de cultuurgoederen zijn voorbehouden aan een kleine kring. Daarbuiten heerst honger naar brood en kennis. Daar zijn mensenlevens die heilig zijn omdat ze van God komen en die eenvoudigweg worden behandeld als dingen, als statistische gegevens. Ik begrijp en deel dat ongeduld, een ongeduld dat voor mij een stimulans is om naar Christus te kijken die ons blijft vragen om het nieuwe gebod van de liefde in praktijk te brengen. (…)

We moeten Christus herkennen in onze broeders en zusters, de mensen. In hen komt Christus ons tegemoet. Een menselijk leven is geen geïsoleerd leven, het is vervlochten met dat van anderen. Geen mens is als een vers dat op zichzelf staat, we maken allen deel uit van het goddelijk gedicht dat God schrijft met de medewerking van onze vrijheid.[36]

Hoeveel jongeren – jongens en meisjes – en ook volwassenen hebben Christus die arm is ontdekt in deze broeders en zusters, wanneer zij de ernstige ontberingen van hun naaste ontdekten en zagen. Het heeft hun houding van dienstbaarheid jegens de anderen verbeterd! De Heer, die oneindig edelmoediger is, heeft speciale genaden in hun ziel uitgestort: alleen Hij kent de diepgaande bekeringen van veel mensen, de beslissingen van een totale overgave ten dienste van God en de Kerk, opgewekt door de indruk van deze bezoeken aan de behoeftigen, ouderen, zieken, gevangenen...

15. De activiteiten ten gunste van het materieel welzijn van de naaste hebben, samen met de ontwikkeling van het Werk van God, en door de apostolische spontaneïteit van de gelovigen en de medewerkers van het Opus Dei, steeds nieuwe vormen gekregen, passend bij de eigen tijdsomstandigheden en de verschillende locaties. Zo zijn er scholen ontstaan voor de beroepsvorming van personen uit zeer verschillende milieus, op het platteland en in de buitenwijken van de grote steden, voor mensen zonder inkomen bestemde poliklinieken en ziekenhuizen in verafgelegen wijken; en de sociale projecten hebben zich vermenigvuldigd – waaronder de NGO's die hulp bieden in minder ontwikkelde landen, of de voedselbanken in landen die beschouwd worden als meer ontwikkeld, om slechts enkele voorbeelden te noemen – die veel mannen en vrouwen op momenten van economische crisis, zoals nu, de mogelijkheid bieden hun materiële noden en die van hun gezinnen te verlichten.

Ik ben God dankbaar voor de uitbreiding van de gezamenlijke initiatieven die door gelovigen en medewerkers van de Prelatuur ontplooid worden. Maar we mogen hier geen genoegen mee nemen: met de genade van God, steunend op de hulp van veel mensen met een goed hart – christenen of niet christenen –, streven we naar een grotere actieradius van deze projecten.

16. Sta me toe er nog eens bij jullie op aan te dringen extra aandacht te besteden aan de zieken: bij hen thuis, in de ziekenhuizen en waar ook maar iemand lijdt in lichaam of ziel; en natuurlijk in de centra van het Werk en de huizen van de geassocieerden en surnumerairs. In elke patiënt is Jezus op een bijzondere manier aanwezig.

We moeten hun niet alleen alle medische zorg die mogelijk is geven, maar ook bijzondere aandacht besteden aan hun geestelijke bijstand: priesters, die het ontvangen van de sacramenten van de Verzoening en van de Eucharistie mogelijk maken; leken, met hun voorbeeld en goede raad opdat de zieken – in de mate van het mogelijke – een geest van gebed bewaren, die beschouwing, dankzegging, lofprijzing en smeekgebed is: bijvoorbeeld het bidden van de rozenkrans en de andere uitdrukkingen van christelijke vroomheid, die de mens met vreugde vervullen, zelfs in het lijden. Zij zullen blij zijn te ontdekken dat zij met het opdragen aan God van hun ziekte en lijden en de beperkingen die ermee gepaard gaan, in hun lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk (Col 1, 24), zoals de heilige Paulus het schreef, wijzend op de heilzame waarde van het lijden.[37]

Als hun ziekte ernstige vormen aanneemt, zullen we ons uiterste best doen om hen voor te bereiden om de ziekenzalving met zoveel mogelijk vrucht te ontvangen: de Kerk verkondigt dat dit sacrament van de barmhartigheid de kracht bezit om zonden te vergeven en – als dit goed is voor de ziel – ook ertoe bijdraagt dat de zieke lichamelijk vooruitgaat en zelfs kan genezen.[38] De eeuwenoude traditie van de Kerk bewijst dat dit sacrament een grote vrede en rust brengt aan degenen die het met een goede gesteltenis ontvangen, zonder te wachten tot de laatste ogenblikken van hun leven. Wat een mooie catechese valt er te doen met de families, die vaak – uit onwetendheid of door de valse angst om de zieken onrustig te maken – geen beroep doen op de priester of zijn hulp slechts inroepen wanneer de geliefde personen zich al in een stadium van bewusteloosheid bevinden!

17. In de loop van de tijd zijn sommige lichamelijke werken van barmhartigheid op een andere manier uitgelegd en uitgevoerd. De zorg voor de pelgrims wordt nu geformuleerd als “een dak bieden aan wie dit niet heeft”. Tegenwoordig betekent zoiets hulp bieden aan migranten die hun land verlaten op zoek naar werk, betere levensomstandigheden, enz. Geen enkele leerling van de Meester mag de zorg voor deze mannen en vrouwen, soms hele families, naast zich neerleggen. Ik denk met name aan de christenen die worden vervolgd om hun geloof. Hun gedwongen uittocht uit hun land moet in ons het bewustzijn van de gemeenschap van de heiligen aanwakkeren.

Paus Franciscus heeft een dringende oproep gedaan aan de autoriteiten en aan alle mensen van goede wil om concrete oplossingen te zoeken voor deze noden. Reeds in zijn apostolische exhortatie Evangelii gaudium heeft hij ons gevraagd: Het is absoluut noodzakelijk aandacht te schenken aan nieuwe vormen van armoede en broosheid, waarin wij geroepen zijn de lijdende Christus te herkennen, ook als dit ons blijkbaar geen tastbare en onmiddellijke voordelen brengt: de daklozen, de drugsverslaafden, de vluchtelingen, de noodlijdende volken, de steeds eenzamere en in de steek gelaten ouderen, enz. De migranten vormen voor mij een bijzondere uitdaging, omdat ik herder ben van een Kerk zonder grenzen, die zich moeder van allen voelt”.[39] Kortgeleden heeft hij als directe voorbereiding op het Jaar van de barmhartigheid deze dringende oproep nog versterkt.[40]

Laten wij ons aansluiten bij die aansporingen van de paus, en er bij familieleden, vrienden en bekenden op aandringen deze goed voor ogen te houden, overeenkomstig de omstandigheden en mogelijkheden van iedereen. Behalve bidden, moeten we overwegen hoe we persoonlijk kunnen bijdragen: we kunnen het geweten van de publieke opinie voor deze nood wakker schudden maar ook helpen bij het vinden van onderdak of van een baan, een economische bijdrage geven, enz. Terwijl we altijd met persoonlijke verantwoordelijkheid handelen, is een goede manier om deze intentie te steunen ook: ons betrokken voelen bij de initiatieven van de bisdommen en parochies aan wie de paus in het bijzonder deze taak heeft toevertrouwd. Ik merk dat velen van jullie, evenals medewerkers en vrienden, al meedoen met concrete initiatieven om de vluchtelingen bij te staan: ik dank jullie in naam van de Heer, want het goede dat we aan deze broeders en zusters van ons doen, dat bewijzen we aan Jezus Christus zelf.

De geestelijke werken van barmhartigheid

18. De heilige Jozefmaria heeft ons toevertrouwd: ik waag het te zeggen dat, wanneer het erop lijkt dat de sociale omstandigheden de ellende, de armoede of de smart uit een bepaald milieu hebben kunnen wegnemen, er juist dan een dringendere behoefte is aan christelijke naastenliefde die erachter weet te komen waar men troost nodig heeft in het ogenschijnlijke algemene welzijn.[41]

We moeten bedenken dat een gebaar van liefde jegens onze naaste niet alleen bestaat uit een materiële bijdrage, hoe nodig deze ook mag zijn. De paus klaagt erover dat «de ergste achterstelling waaronder de armen te lijden hebben het gebrek aan geestelijke bijstand is».[42] In de loop van haar geschiedenis is het kenmerkend geweest voor de Kerk dat ze de geestelijke werken van barmhartigheid, zo reëel en altijd actueel, heeft bevorderd: «de twijfelenden raad geven, de onwetenden onderrichten, de zondaars vermanen, de bedroefden troosten, beledigingen vergeven, lastige personen geduldig verdragen, tot God bidden voor de levenden en de doden».[43]

Hoe fijngevoelig is deze geestelijke naastenliefde! En hoe onmisbaar is ze op deze momenten wanneer zovelen lijden onder eenzaamheid, onbegrip, vervolgingen, roddel- en lasterpraat; of wanneer ze zonder het pad dat naar de hemel leidt te kennen met hun twijfels worstelen. Want de verspreiding van de sociale middelen tegen de plagen van het lijden of van de armoede maakt het tegenwoordig wel mogelijk om humanitaire resultaten te bereiken waar men in andere tijden nog niet eens van had kunnen dromen, maar ze zullen nooit de doeltreffende – menselijke en bovennatuurlijke – tederheid kunnen vervangen van dit directe, persoonlijke contact met de naaste. Deze sociale middelen zijn namelijk van een ander niveau, want daarin ontbreekt dat persoonlijke contact, met een arme die in de buurt woont, of met een zieke die in een enorm groot ziekenhuis ligt te lijden, of met weer een ander – die misschien rijk is – die behoefte heeft aan een moment van liefdevolle aandacht, aan een christelijke vriendschap om zijn eenzaamheid te verlichten, aan geestelijke steun die zijn twijfels en scepsis kan oplossen.[44]

Laten we aan die gebeurtenis met de bedelares denken, aan wie de heilige Jozefmaria alleen zijn geestelijke toewijding en de menselijke genegenheid van een priester kon bieden. Die vrouw besloot daaraan te beantwoorden door haar leven op te dragen voor het Werk. Toen hij haar later in een ziekenhuis opnieuw ontmoette en hoorde wat die bedelares aan de Heer had opgedragen, noemde hij haar de eerste roeping onder zijn toekomstige dochters.

19. Ik wil stilstaan bij een paar van de talrijke initiatieven tot saamhorigheid of van christelijke broederlijkheid: de onwetende onderrichten, raad geven aan wie die nodig heeft, de beledigingen vergeven. Het zijn tekenen van een fijngevoelige naastenliefde, die wij tegenover iedereen horen te beoefenen, en in het bijzonder met degenen die wij dichter bij ons hebben: de leden van onze familie, onze vrienden en collega’s, onze kennissen …

Het is een heel belangrijke uiting van barmhartigheid om de waarheden van ons geloof te onderwijzen aan degene die ze niet kent. Onze stichter heeft dat in een paar woorden samengevat: het geven van de goede leer is onze grote zending. Hij heeft vaak onderstreept dat de grote vijand van God en van de zielen de godsdienstige onwetendheid is en hij heeft gezegd dat het werk van het Opus Dei een grote catechese is, de verlossende boodschap van de Kerk binnen het bereik van iedereen brengen en leren die in praktijk te brengen. Wees ervan overtuigd, dat je apostolaat bestaat in het uitdragen van goedheid, licht, enthousiasme, edelmoedigheid, offervaardigheid, volharding in het werk, verdieping in de studie, totaliteit in het geven van jezelf, goed van alles op de hoogte zijn, absolute en vreugdevolle gehoorzaamheid aan de Kerk, volmaakte liefde…[45] Deze hele onderneming vereist een edelmoedige inspanning om de mensen met wie we omgaan een leerstellige, geestelijke en apostolische vorming te geven. Wat een vreugde wanneer de waarheid van het Evangelie de verschillende gebieden van ons doen en laten: het beroeps-, sociale en culturele vlak, verlicht!

Laten we in dit Jaar van de Barmhartigheid onze inzet doen groeien, opdat veel zielen naderen tot de warmte van de Kerk, de Bruid van Jezus Christus en onze Moeder. Wij zullen dat, met de hulp van God, bereiken als ieder van ons zich er persoonlijk voor inzet om meer vrienden, collega’s en kennissen in contact met de vormingsmiddelen te brengen.

20. Ook de manieren om goede raad te geven aan wie dat nodig heeft zijn heel verschillend. Om te beginnen dienen we te getuigen met ons gedrag. Zo deed Christus het tijdens zijn verblijf op aarde, zoals de heilige Jozefmaria ons vaak heeft herinnerd. Onze Vader bleef graag bij dit voorbeeld stilstaan met de woorden waarmee de Handelingen van de apostelen openen: over alles wat Jezus gedaan en geleerd heeft (Hand 1, 1). In het verlengde van het getuigenis door ons eigen gedrag komt dan het moment om de juiste woorden te gebruiken, vol duidelijkheid en genegenheid, zonder te kwetsen, uitgesproken in het oor van onze vrienden of kennissen: het apostolaat van vriendschap en vertrouwen waarop onze Vader zozeer heeft aangedrongen.

Als iemand ook doet wat hij zegt, is dat heel vruchtbaar! Soms zal het in de vorm van de broederlijke vermaning zijn, zoals het evangelie leert (vgl. Mt 18, 15-17): een werk van nobele, dappere en vruchtbare barmhartigheid, dat voortkomt uit de liefde, omdat we belang stellen in onze vrienden.

«Tegenwoordig zijn we in het algemeen heel gevoelig – heeft Benedictus XVI wat dit betreft gezegd – voor het aspect van de zorg en liefde met betrekking tot het fysieke en materiële welzijn van de anderen, maar we houden bijna helemaal onze mond wat betreft onze geestelijke verantwoordelijkheid voor onze broeders de mensen. Zo was het niet in de Kerk van de eerste tijden en in de gemeenschappen die een rijp geloof hadden, waarin men zich niet alleen interesseerde voor de lichamelijke gezondheid van de ander, maar ook voor die van zijn ziel, voor zijn eindbestemming. (…) Het is belangrijk deze dimensie van de christelijke naastenliefde terug te krijgen».[46] En hij voegde eraan toe: «Tegenover het kwaad mogen wij niet zwijgen. Ik denk hier aan de houding van die christenen die zich uit menselijk opzicht of gewoon uit gemakzucht aanpassen aan de algemeen heersende mentaliteit, in plaats van hun broeders en zusters te waarschuwen voor de denk- en handelwijzen die tegen de waarheid ingaan en niet de weg van het goede volgen».[47]

Laten we de heilige Jozefmaria dankbaar zijn omdat hij ons de doeltreffendheid van deze evangelische handelwijze heeft ingeprent als een uitstekende, goede en normale manier om onze naaste te helpen. Deze manier komt voort uit de liefde en wordt met echte nederigheid en bovennatuurlijke voorzichtigheid beoefend.

Want «de christelijke vermaning wordt nooit door een geest van veroordeling of verwijt bezield; ze wordt altijd gegeven uit liefde en barmhartigheid en komt uit een ware zorg voor het welzijn van de ander voort. De apostel Paulus zegt: Als iemand op een misstap betrapt wordt, moet gij, geestelijke mensen, zo iemand in een geest van zachtmoedigheid oprichten; let tegelijk op jezelf, jij kunt ook in verzoeking komen (Gal 6, 1).

»In onze wereld, die doordrenkt is van individualisme – ging Benedictus XVI verder – is het nodig het belang van de broederlijke vermaning te herontdekken, om gezamenlijk naar de heiligheid te streven».[48]

21. De beledigingen vergeven is een andere prachtige manier om de naastenliefde te beoefenen. Spreekt vrij, en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken (Lc 6, 37-38). Laten we de parabel overwegen van die man die zijn mededienaar een heel kleine schuld niet wilde kwijtschelden, nadat zijn heer hem een enorme som had kwijtgescholden. En wat was het antwoord van die heer?: jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt (Mt 18, 32-35).

De beledigingen vergeven vormt een duidelijke aanwijzing van het feit dat wij kinderen van God zijn en ons als zodanig gedragen. Laten we dus vooral niet blijven denken aan de beledigingen die we moesten incasseren, aan de vernederingen die we ondergaan hebben —hoe onterecht, onheus en onbehouwen ook—; want het past niet bij een kind van God een boekhouding bij te houden om een staat van beledigingen te kunnen tonen. Wij kunnen het voorbeeld van Christus niet vergeten.[49] Sint Lucas schrijft, juist bij zijn beschrijving van het Lijden van de Heer dat toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet, […] zij Hem daar kruisigden, en zo ook de misdadigers, de een rechts, de ander links. En Jezus zeide: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen’ (Lc 23, 33-34).

Deze manier van handelen is kennelijk niet gemakkelijk; maar de genade van God maakt het te doen, zoals het gedrag van zo vele christenen laat zien die, vanaf de eerste momenten van de geschiedenis van de Kerk en ook nu, niet alleen goedertieren wisten te zijn, maar hun vervolgers oprecht wisten te beminnen. In deze lijn heeft de heilige Jozefmaria het integere en blijvende besluit genomen altijd en op ieder moment te vergeven, wat hij bovendien bevestigd heeft met zijn voorbeeld en woorden.

De vijand niet haten. Geen kwaad met kwaad vergelden. Vergeven zonder wrok. Dat werd destijds —en ook nu nog, laten we daar geen doekjes om winden— beschouwd als wereldvreemd, buitensporig heldhaftig en buiten de werkelijkheid staand gedrag. Zover reikt de kleingeestigheid van schepselen. Jezus Christus is gekomen om alle volkeren te redden. Hij wil ook de gelovigen doen deelnemen in zijn verlossingswerk. Daarom wil Hij zijn leerlingen onderrichten —wil Hij u en mij onderrichten— in een grote, oprechte, zeer edele en waardevolle liefde: wij moeten elkaar liefhebben, zoals Christus ieder van ons liefheeft. Alleen door —ondanks onze eigen grofheid— de goddelijke wijze van leven na te volgen zullen wij erin slagen ons hart te openen voor alle mensen, hen veel intenser en op geheel nieuwe wijze te beminnen.[50]

Wij zullen geoordeeld worden op basis van onze werken van barmhartigheid: «of wij te eten hebben gegeven aan wie honger heeft, en te drinken aan wie dorst heeft. Of wij de vreemdeling hebben opgenomen en gekleed wie naakt is. Of wij tijd hebben gehad om bij wie ziek en in de gevangenis is, te zijn (vgl. Mt 25, 31-45). Ons zal eveneens worden gevraagd, of wij hulp hebben geboden om uit de twijfel te komen die doet vervallen in angst en die vaak de bron is van eenzaamheid; of wij in staat zijn geweest de onwetendheid te overwinnen waarin miljoenen personen leven, vooral de kinderen die verstoken zijn van de noodzakelijke hulp om bevrijd te worden uit de armoede; of wij degenen die alleen en bedroefd zijn, nabij zijn geweest; of wij degenen die ons beledigen, hebben vergeven, en iedere vorm van wrok en haat, die leidt tot geweld, hebben afgewezen; of wij geduld hebben gehad naar het voorbeeld van God, die zo geduldig is met ons; ten slotte of wij onze broeders en zusters in ons gebed hebben toevertrouwd aan de Heer. In ieder van deze “kleinsten” is Christus zelf aanwezig. Zijn vlees wordt opnieuw zichtbaar als een lichaam dat is gemarteld, gewond, gegeseld, ondervoed, op de vlucht is ... om door ons te worden herkend, aangeraakt en bijgestaan met zorg. Laten wij de woorden niet vergeten van de heilige Johannes van het Kruis: ‘In de avond van het leven zult u geoordeeld worden overeenkomstig uw liefde’».[51]

Het apostolaat van het sacrament van boete en verzoening

22. Een ander werk van geestelijke barmhartigheid, dat heel belangrijk is, bestaat erin de mensen te helpen de vriendschap met God die ze door de zonde verloren hadden, terug te krijgen. Hoe veel heeft de heilige Jozefmaria – zoals ook de zalige Álvaro del Portillo – aangedrongen op het apostolaat van de biecht! Net zo heb ik jullie herhaaldelijk over dit punt gesproken, want het is onmogelijk dat iemand vooruit gaat in de kennis van en de liefde voor Jezus Christus zonder te zorgen voor de zuiverheid van zijn ziel, zonder het veelvuldig ontvangen van het sacrament van de Boete.

De Paus heeft het vaak over dit sacrament. In de bul met de afkondiging van het buitengewoon jubileum wijst hij erop: «Laten wij opnieuw het sacrament van de verzoening met overtuiging in het middelpunt plaatsen, omdat dit het mogelijk maakt de grootheid van de barmhartigheid werkelijk te ervaren. Voor iedere boeteling zal het een bron zijn van ware innerlijke vrede».[52]

Laten we tegelijk de raad overwegen die de stichter van het Opus Dei – die uit het diepst van zijn ziel kwam – aan zijn priesterzonen gaf, maar die voor alle priesters geldt: de overheersende passie van de priesters van het Opus Dei (…) is onderrichten en leiden van de zielen: verkondigen en biecht horen. Hier moeten jullie je tot het uiterste voor inzetten, zonder angst voor uitputting, zonder je zorgen te maken over tegenspraak: qui séminant in lácrimis, in exultátione metent (Ps 125, 5); wie onder tranen zaaien, die oogsten met gejuich. De zending van de leken, van mijn dochters en zonen, is het hun broeders de priesters te overstelpen met werk – en daardoor met vreugde – door veel mensen met hun priesterlijk dienstwerk in aanraking te brengen.[53]

23. De biechtvaders vertegenwoordigen reeds vanzelf een «een waar teken (…) van de barmhartigheid van de Vader», schrijft de paus. «Men wordt niet zomaar biechtvader. Men wordt het, wanneer wij vóór alles zelf als eersten boetelingen worden op zoek naar vergeving. Laten wij nooit vergeten dat biechtvader zijn betekent deelnemen aan de zending zelf van Jezus en een concreet teken zijn van de continuïteit van een goddelijke liefde die vergeeft en redt. (…)

»Niemand van ons is baas over het sacrament – gaat paus Franciscus verder – , maar een trouwe dienaar van de vergeving van God. Iedere biechtvader zal de gelovigen moeten ontvangen zoals de vader in de parabel van de verloren zoon: een vader die zijn zoon tegemoet snelt, ook al had hij zijn goederen verkwist. Biechtvaders zijn geroepen die berouwvolle zoon die naar huis terugkeert, tegen zich aan te drukken en zijn vreugde dat hij hem heeft teruggevonden, tot uitdrukking te brengen. Zij zullen nooit moe worden ook naar de andere zoon te gaan die buiten is blijven staan en niet in staat is blij te zijn, om hem uit te leggen dat zijn streng oordeel onjuist is en geen zin heeft ten overstaan van de grenzeloze barmhartigheid van de Vader».[54]

Mijn dochters en zonen, laten we de Heer vragen ons trouwe instrumenten van Zijn barmhartigheid te maken: de priesters, door veel uren – alle uren die ze maar kunnen – te wijden aan de vergeving in de Naam van God; en de leken, met het voortdurende verlangen de zielen van hun vrienden en kennissen – door een oprechte en belangeloze naastenliefde – voor te bereiden om hen te helpen het sacrament van de vreugde en van de vrede met veel vrucht te beleven.

24. Ik wil niet verder uitweiden. Ik raad jullie aan de bul Misericordiae vultus te lezen en diepgaand te overwegen en jullie eigen conclusies te trekken. Daarin wordt ook aangeraden om een pelgrimstocht te maken naar een bedevaartsoord om de gave van de volle aflaat te verkrijgen die door de Kerk wordt verleend, en zo in de komende maanden de tedere en kinderlijke devotie tot onze Moeder de Allerheiligste Maagd Maria overvloedig te doen groeien. «Moge de lieflijkheid van haar gelaat ons geleiden in dit Heilig Jaar, opdat wij allen de vreugde van de tederheid van God opnieuw kunnen ontdekken. Niemand heeft zoals Maria de diepte van het mysterie van God, die mens is geworden, gekend. Alles in haar leven krijgt vorm door de aanwezigheid van de barmhartigheid die vlees is geworden. De Moeder van de gekruisigde Verrezene is binnengegaan in het heiligdom van de goddelijke barmhartigheid, omdat zij ten diepste heeft deelgehad aan het mysterie van zijn liefde».[55]

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 4 november 2015.



[1]. 2e Vaticaans Concilie, Past. Const. Gaudium et spes, nr. 40.

[2]. Vgl. Paus Franciscus, Enc. Laudato Si, 24-5-2015, nr. 77.

[3]. Preces van het Werk, Gebed.

[4]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 2.

[5]. Heilige Johannes Paulus II, Litt.enc. Dives in Misericordia, 30-11-1980, nr. 1.

[6]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 5.

[7]. Heilige Jozefmaria, Brief 24-3-1930, nr. 1.

[8]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 7.

[9]. Heilige Johannes Paulus II, Encycliek Dives in Misericordia, 30-11-1980, nr. 8.

[10]. Zalige Paulus VI, toespraak in de algemene audiëntie, 14-4-1976.

[11]. Heilige Jozefmaria, Brief 25-1-1961, nr. 1.

[12]. Aantekeningen van een meditatie, 11-4-1952.

[13]. Ibid.

[14]. Paus Franciscus, apost. Exhort. Evangelii gaudium, 24-11-2013, nr. 279.

[15]. Heilige Jozefmaria, Brief 25-1-1961, nr. 3.

[16]. Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een meditatie, 4-6-1937.

[17]. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 9-9-1971.

[18]. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst , 14-6-1972.

[19]. Vgl. Dante Alighieri, Monarchia, 1.

[20]. Paus Franciscus, Bul Misericordiæ vultus, 11-4-2015, nr. 9.

[21]. Heilige Johannes Paulus II, Litt. enc. Dives in misericordia, 30-11-1980, nr. 5.

[22]. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst 27-3-1972.

[23]. Heilige Johannes Paulus II, Litt. enc. Dives in misericordia, 30-11-1980, nr. 5.

[24]. Vgl. heilige Jozefmaria, Vrienden van God,, nr. 173.

[25]. Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 309.

[26]. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 11-9-1971.

[27]. Paus Franciscus, Bul Misericordiæ vultus, 11-4-2015, nr. 20.

[28]. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 25-9-1971.

[29]. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 9-9-1971.

[30]. Paus Franciscus, Bul Misericordiæ vultus, 11-4-2015, nr. 5.

[31]. Ibid., nr. 10.

[32]. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2447.

[33]. Paus Franciscus, Bul Misericordiæ vultus, 11-4-2015, nr. 15.

[34]. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2447.

[35]. Heilige Jozefmaria, Instructie, 9-1-1935, nr. 196.

[36]. Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 111.

[37]. Vgl. heilige Johannes Paulus II, apost. Brief Salvifici doloris, 11-2-1984.

[38]. Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1520.

[39]. Paus Franciscus, Apost. exhort. Evangelium gaudium, 24-11-2013, nr. 210.

[40]. Vgl. paus Franciscus, toespraak bij het Angelus, 6-9-2015.

[41]. Heilige Jozefmaria, Brief 24-10-1942, nr. 44.

[42]. Paus Franciscus, apost. Exhort. Evangelium gaudium, 24-11-2013, nr. 200.

[43]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 15.

[44]. Heilige Jozefmaria, Brief 24-10-1942, nr. 44.

[45]. Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 927.

[46]. Benedictus XVI, Boodschap voor de Veertigdagentijd van 2013, 3-11-2011, nr. 1.

[47]. Ibid.

[48]. Ibid.

[49]. Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 309.

[50]. Ibid., nr. 225.

[51]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 15. Het citaat van sint Jan van het Kruis is uit Woorden van licht en liefde, nr. 57.

[52]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 17.

[53]. Heilige Jozefmaria, Brief 8-8-1956, nr. 35.

[54]. Paus Franciscus, Bul Misericordiae vultus, 11-4-2015, nr. 17.

[55]. Ibid., nr. 24.