Brief van de prelaat (november 2015)

De prelaat schrijft over de gezegende zielen in het vagevuur en de uitersten: “Dankzij Christus heeft de christelijke dood een positieve betekenis."

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (november 2015)

Mijn geliefde kinderen, moge Jezus jullie behoeden!

Ik ben heel blij met de diakenwijding van een groep van jullie broers die gisteren heeft plaatsgevonden in de basiliek van sint Eugenius. Deze zonen van mij zullen zich toeleggen op de apostolaatswerken van de Prelatuur die een levend deel is van het Mystieke Lichaam van Christus. Zo zullen ze uit heel hun hart de Kerk dienen die een grote behoefte heeft aan gewijde dienaren die strijden om heilig te zijn, die onderricht zijn in de leer, vol vreugde en sportief in hun geestelijk leven, zoals de heilige Jozefmaria het graag wilde. Laten we God met aandrang vragen dat het in de hele wereld nooit ontbreekt aan deze gave, aan heilige seminaristen en priesters in de bisdommen.

Het begin van deze maand brengt ons de troostvolle waarheid van de Gemeenschap van de heiligen in herinnering. Vandaag herdenken wij in het bijzonder de gelovigen die reeds in de hemel zijn en van de Allerheiligste Drie-eenheid genieten, en morgen zullen we in onze gebeden de overleden gelovigen gedenken die nog gezuiverd worden in het vagevuur en met wie wij een diepe vriendschap moeten onderhouden.

Ik herinner me de devotie waarmee onze Vader deze dag doorbracht, met de wens dat – ook dankzij de smeekbeden van de Kerk – die gezegende zielen de volledige kwijtschelding van de tijdelijke straffen voor hun zonden zouden ontvangen en zo de gelukzalige tegenwoordigheid van God zouden bereiken. Deze uiting van barmhartigheid, van naastenliefde, was voor hem zo belangrijk dat hij wilde dat in het Opus Dei veelvuldig de viering van de heilige Mis, de heilige Communie en het bidden van de rozenkrans zouden worden opgedragen voor de eeuwige rust van zijn dochters en zonen, van onze ouders, broers en zussen, van de overleden medewerkers en van allen die deze wereld hebben verlaten. Laten wij edelmoedig zijn in onze gebeden voor de overledenen en er van onze kant aan toevoegen wat ons goed lijkt; vooral het opdragen van goed afgemaakt werk, in een vreugdevolle geest van gebed en boete.

De aanbeveling van sint Paulus komt hier goed te pas: cotídie mórior[1], dagelijks sterf ik aan de zonde, om met Jezus Christus te verrijzen. De heilige Jozefmaria heeft zich deze raad van de apostel ter harte genomen en ons daarom opgeroepen vaak te mediteren over het einde van ons aardse leven, met het verlangen ons zo goed mogelijk op de ontmoeting met God voor te bereiden. De dood is een realiteit waar iedereen zonder uitzondering mee te maken krijgt. Veel mensen vrezen hem en doen al het mogelijke om hem te vergeten. Voor een christen die consequent is in zijn geloof zou het zo niet moeten zijn. Voor ‘de anderen’ is de dood een verschrikking die hen verlamt. Voor ons is de dood – het Leven – een aanmoediging die ons vooruit drijft. Voor hen is hij het einde. Voor ons, het begin.[2]

Toch heeft deze overgang voor ons soms dramatische accenten, in het bijzonder wanneer hij op een onvoorziene manier verschijnt, of wanneer het om jonge mensen gaat die een toekomst vol mogelijkheden voor zich hadden. De Paus zegt dat de dood in deze gevallen voor veel mensen als een zwart gat is dat in het leven van gezinnen wordt geopend en waarvoor we geen enkele verklaring weten te geven.[3]

Maar we mogen niet vergeten dat, zoals de heilige Schrift zegt, God de dood niet heeft gemaakt en dat Hij geen behagen schept in de ondergang van de levenden.[4] De mens is geschapen met een sterfelijke natuur, maar de goddelijke wijsheid en almacht hadden hem voorbestemd om niet te sterven indien onze eerste ouders de goddelijke geboden zouden beminnen en trouw gehoorzamen. Zij hebben zich door de verleider laten bedriegen en het gevolg is duidelijk: door één mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood; en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben.[5]

Op dit terrein kunnen veel overwegingen van onze Vader helpen en troosten. Hij schreef onder andere: de dood zal onverbiddelijk komen. Wat een holle ijdelheid is het om het bestaan te laten draaien om het leven hier op aarde! Kijk eens hoeveel de mensen lijden. Sommigen omdat het leven bijna voorbij is en ze het erg vinden om het te verlaten; anderen omdat hun leven verder gaat en het hen verveelt… In beide gevallen is het onjuist om ons verblijf op deze wereld als een doel op zichzelf te zien.

We moeten deze manier van denken achter ons laten en ons ankerpunt in de andere wereld leggen, in die van de eeuwigheid. Er is een totale verandering voor nodig: je ontdoen van jezelf, van je egocentrische drijfveren die vergankelijk zijn, om opnieuw te worden geboren in Christus, die eeuwig is.[6]

Wij kunnen dit mysterie, dat meer troost dan droefheid inhoudt, alleen met een blik vol geloof op de gekruisigde Christus benaderen. De Catechismus van de Katholieke Kerk leert dat «dankzij Christus de christelijke dood een positieve betekenis heeft. ‘Voor mij toch is het leven Christus en het sterven winst’ (Fil. 1, 21). ‘Hoe waar is dit woord: als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven’ (2 Tim. 2, 11). Hierin is het wezenlijk nieuwe van de christelijke dood gelegen: door het doopsel is de christen op sacramentele wijze al ‘gestorven met Christus’ om een nieuw leven te beginnen; en als wij in de genade van Christus sterven, is de lichamelijke dood de volle verwerkelijking van dit ‘sterven met Christus’ en voltooit hij onze inlijving in Hem in zijn verlossende heilsdaad».[7] Ook al klopt het niet helemaal, toch bevat het antwoord van de moeder van een broer van ons voor een deel de waarheid. Toen het einde voor haar naderde zei zij vol geloof: waarom zou de Heer mij niet ontvangen, als ik Hem jarenlang iedere dag in de Communie heb ontvangen?

De zekerheid van het geloof, samen met de hoop en de liefde, bezit het vermogen de sluier van verdriet en angst weg te nemen waarmee heel vaak naar de laatste stap van ons aardse bestaan wordt gekeken. Bovendien is het, zoals de heiligen bij hun heengaan van deze aarde bijzonder duidelijk laten zien, door het geloof mogelijk om de dood met vrede te aanvaarden omdat het de ontmoeting is met de Heer. Wees niet bang voor de dood. – Aanvaard hem reeds nu, edelmoedig…, wanneer God het wil…, zoals God het wil…, waar God het wil. – Twijfel er niet aan: hij zal komen op de tijd, de plaats en de manier die voor ons het meest geschikt is…, gestuurd door God, jouw Vader. – Welkom zij onze broeder de dood![8]

Dit zijn traditionele overwegingen van de christelijke leer en voor het gedrag van een christen. Ze zijn niet negatief en ook niet bedoeld om een onredelijke onrust te voeden, maar willen wel een heilige kinderlijke vrees, vol vertrouwen in God, bevorderen. Ze bevatten een bovennatuurlijk en menselijk realisme, met de duidelijke aanwijzing dat de christelijke wijsheid de ziel vanuit het geloof rust en vertrouwen schenkt.

Onze Vader heeft ons geleerd praktische gevolgtrekkingen te halen uit het overwegen van dat ogenblik en van de uitersten in het algemeen. We mogen deze dingen dus niet met een koele blik bekijken, heeft hij bij gelegenheid aan een groep van zijn jonge zonen gezegd. Ik wil niet dat er iemand van jullie sterft. Laat ze hier, Heer, neem ze nog niet mee! Ze zijn jong en hier beneden hebt U weinig instrumenten! Ik hoop dat de Heer me zal verhoren… Maar de dood kan op elk ogenblik komen.[9] En hij besloot: Wat een objectieve visie geeft de overweging van de dood! Wat een goed middel om onze opstandige wil en de hoogmoed van onze intelligentie te beheersen. Houd van de dood en zeg de Heer vol vertrouwen: zoals U wilt, wanneer U wilt, waar U wilt.[10]

Het feit van de dood is vanzelfsprekend vaak veel harder wanneer het de mensen betreft van wie wij het meest houden: ouders, kinderen, echtgenoten, broers of zussen… Toch kunnen wij, met de genade van God, in het licht van de verrijzenis van de Heer, die niemand in de steek laat van degenen die de Vader Hem heeft toevertrouwd, de dood zijn ‘angel’ ontnemen, zoals de apostel Paulus heeft gezegd (vgl. 1 Kor. 15, 55). We kunnen verhinderen dat hij ons leven vergiftigt, onze gevoelens van genegenheid teniet doet en ons in de meest sombere leegte laat vallen.[11] Er is geen grotere zekerheid dan dat de Heer ons aan zijn zijde wil om te genieten van zijn aanblik en aanwezigheid. Voeden wij deze hoop dagelijks? Bidden wij met devotie – zoals onze Vader – het vultum tuum, Dómine, requíram[12], Uw gelaat, Heer, zal ik zoeken?

Als in een christelijke familie het geloof diep geworteld is dan zijn deze momenten die samen gaan met smart, een gelegenheid om de banden die de verschillende familieleden verenigen te versterken, zoals in feite heel vaak gebeurt. Met dit geloof kunnen wij elkaar troosten, in het besef dat de Heer de dood eens en voor altijd heeft overwonnen. Onze geliefden zijn niet in de duisternis van het niets verdwenen: de hoop verzekert ons dat zij in de goede en sterke handen van God rusten. De liefde is sterker dan de dood. De weg is daarom te groeien in de liefde, deze sterker te maken, en de liefde zal ons bewaren tot de dag waarop iedere traan afgewist zal zijn, wanneer er geen dood meer zal zijn, geen rouw, geen geween, geen smart (Openb. 21, 4).[13]

Deze christelijke visie biedt het ware tegengif tegen de vrees die de mensen gewoonlijk overvalt wanneer zij de vergankelijkheid van het aardse bestaan bemerken. Tegelijkertijd is er niets logischer – zoals ik al aangegeven heb – dan dat de dood van onze geliefden ons pijn doet en dat we rouwen om hun heengaan. Ook Jezus huilde om de dood van Lazarus, zijn geliefde vriend, alvorens hem te doen verrijzen. Maar zonder overdrijvingen, want voor een consequent christen is sterven als naar de bruiloft gaan. De heilige Jozefmaria heeft het als volgt uitgedrukt: wanneer men ons zegt: ecce spónsus venit, exíte óbviam ei (Mt 25, 6) – daar is de bruidegom! Trekt hem tegemoet, want hij komt je zoeken – , dan zullen wij de voorspraak van de allerheiligste Maagd inroepen. Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu… en je zult eens zien in het uur van de dood! Wat zul je glimlachen op het uur van de dood! Er zal geen spoor van angst zijn, want de armen van Maria zullen je opvangen.[14]

Wanneer de Heer een dochter of zoon van onze Vader op jonge leeftijd tot zich riep, protesteerde hij bij zijn Vader God en voelde hij een diepe smart, ook al aanvaardde hij onmiddellijk de wil van God die weet wat werkelijk goed voor ons is. Fiat, adimpleátur…, bad hij altijd. Moge de zeer rechtvaardige en beminnelijke wil van God gedaan, vervuld, geprezen en eeuwig verheerlijkt worden boven alle dingen! Amen. Amen.[15] En dan kreeg hij vrede.

Al deze gedachten moeten steeds samengaan met de overweging dat de goddelijke almacht ons het leven zal teruggeven: vita mutátur, non tóllitur[16], het leven verandert, maar gaat niet verloren. De zekerheid dicht bij God te zijn, met alle hulp die onze Moeder de Kerk ons in deze laatste momenten verleent, zal ons als volgt doen redeneren: Heer, ik geloof dat ik zal verrijzen; ik geloof dat mijn lichaam weer met mijn ziel verenigd zal worden om voor eeuwig met U te heersen: omwille van uw oneindige verdiensten, door de voorspraak van uw Moeder, door de voorliefde die U mij hebt betoond.[17]

Mijn dochters en zonen, laten wij ons inspannen om deze vreugde en zekerheid van het geloof door te geven. Laten we iedere dag bidden voor de mensen die hun ziel aan de Heer gaan teruggeven, opdat ze zich openstellen voor de overvloed aan genade die God op voorspraak van zijn allerheiligste Moeder op deze ogenblikken schenkt. En laten we blijven bidden voor de heiligheid van alle gezinnen op de wereld, opdat de conclusies van de recente synode een stimulans vormen om met volledige trouw de heilsplannen te volgen die de Heer in het hart van het huwelijk en van het gezin heeft gelegd.

Ik zou graag hebben dat jullie stil blijven staan bij de wijsheid van de heilige Kerk die het hoogfeest van Allerheiligen heeft verenigd met de dag, direct daarop, die is gewijd aan de gedachtenis van alle overleden gelovigen: jullie moeten de hemelse vreugde smaken waarvan de liturgie van deze maand, en van heel het jaar, doordrenkt is.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 november 2015

P.S. Over een paar dagen zal ik voor een operatie naar de universiteitskliniek van Navarra gaan. Ik zal heel verenigd zijn met jullie allemaal en ik hoop dat jullie me steunen met de kracht van jullie gebed.



1. 1 Cor. 15, 31.

2. Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 738.

3. Paus Franciscus, toespraak bij de algemene audiëntie, 17-6-2015.

4. Wijsh. 1, 13.

5. Rom. 5, 12.

6. Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 879.

7. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1010.

8. Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 739.

9. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een meditatie, 13-12-1948.

10. Ibid.

11. Paus Franciscus, toespraak bij de algemene audiëntie, 17-6-2015.

12. Vgl. Ps. 26 [27], 8.

13. Paus Franciscus, toespraak bij de algemene audiëntie, 17-6-2015.

14. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 23-6-1974.

15. Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 769.

16. Romeins Missaal, Prefatie van de overledenen I.

17. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een meditatie, 13-12-1948.

________________________________________________________________________

Copyright © Prælatura Sanctæ Crucis et Operis Dei