Brief van de prelaat (november 2014)

De prelaat spreekt in zijn brief over het Koninkrijk van Christus. "Hij verlangt er bovenal naar in onze gedachten, woorden, werken en handelen te heersen".

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (november 2014)

Geliefde kinderen: moge Jezus jullie behoeden!

Ik zal in herhaling vallen, maar dat is met opzet: elke dag opnieuw moeten we God heel dankbaar zijn voor het vele goede dat Hij ons geeft. Ik kan me goed voorstellen dat onze Vader bij het zien hoe de hemel ons zegent, vaak schreef en zei semper in laetitia!

In de weken die sinds 27 september zijn verstreken hebben wij gehoord over veel genaden die God op voorspraak van de zalige Álvaro heeft verleend. We zien weer dat de heiligheid schittert wanneer de Kerk erkent dat een van haar kinderen heilig is. Soms merken we dit niet op omdat we verstrooid zijn en geen aandacht schenken aan deze hulp van God. Mijn dochters en zonen, laten we ervan overtuigd zijn dat het geloof ons helpt vastberaden voort te gaan te midden van de lotgevallen van de geschiedenis: de goddelijke voorzienigheid richt alles op de volheid van het rijk Gods dat Jezus Christus op aarde heeft gevestigd.

Ons christenen komt het nu toe de vruchten van de verlossing te laten zien die Jezus Christus met zijn leven, dood, verrijzenis en hemelvaart in overvloed heeft verwezenlijkt. En dat vragen wij op voorspraak van don Álvaro, wanneer wij God smeken om van alle ogenblikken en omstandigheden van ons leven gebruik te maken om U te beminnen en het Koninkrijk van Jezus Christus te dienen.

Het rijk van Christus uitbreiden tot alle uiteinden der aarde, tot alle mensen die nu leven en in de loop der jaren zullen komen, is de schitterende taak – een authentiek goddelijk en menselijk avontuur – die de Heer aan alle christenen heeft toevertrouwd toen Hij de apostelen de opdracht gaf: gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.[1] Met wat een pedagogische aandrang heeft de heilige Jozefmaria ons dat laten overwegen! Om deze ambitie waar te maken moeten wij het verlangen voeden dat onze apostolische ijver dagelijks groter wordt en moeten we aan de Heer vragen zijn Geest naar alle mensen te zenden en de hindernissen weg te nemen die wij kunnen opwerpen voor zijn inwerking op onze ziel.

Dit verlangen mag niet bij een denkbeeld blijven, dit wij willen dat Christus heerst, moeten wij ons op een heel persoonlijke manier eigen maken. Onze Vader heeft dat vanaf het begin van het Opus Dei in zijn hart gevoeld en don Álvaro heeft het ons herhaald. Sinds hij het Werk leerde kennen heeft hij de rijkdommen van het innerlijk leven van de heilige Jozefmaria steeds diepgaander ontdekt en zo kon hij deze schietgebedjes die onze stichter vaak gebruikte steeds meer 'smaken' en ervan houden: Régnare Christum vólumus! Deo omnis glória! Omnes cum Petro ad Iesum per Maríam! Deze duidelijke en veeleisende coördinaten voor ons handelen hebben in de zalige Álvaro de noodzaak versterkt om Christus in zijn hart te laten heersen en aan God alle eer te geven, heel verenigd met de Kerk en de paus op voorspraak van Maria, en verbonden met de hele mensheid.

Dit zijn heel geschikte overwegingen voor deze maand waarin wij ons voorbereiden op het hoogfeest van Christus Koning. Onze Vader vraagt ieder van ons: Waar is de Koning? Waar is de Christus die de heilige Geest probeert vorm te geven in onze ziel? Hij is niet te vinden in de trots, want die scheidt ons van God, en ook niet in de liefdeloosheid, want die isoleert ons van de mensen. Christus kan daar niet zijn, want daar is de mens alleen.[2] God verlangt er bovenal naar in onze gedachten, woorden, werken en handelingen te heersen. Wat zouden we Hem – gaat onze Vader door – antwoorden op de vraag: jij, hoe laat jij Mij in jou heersen? Ik zou Hem zeggen dat ik daarvoor een overvloed van zijn genade nodig heb, want alleen dan zal alles kunnen veranderen in een hosanna, een vreugdezang voor Christus, mijn koning: iedere hartslag, de lichtste ademhaling, een vluchtige blik, ieder doodgewoon woord, de eenvoudigste gewaarwording: alles.[3]

Bij het bidden van het Onze Vader vragen wij om de komst van het rijk van God: advéniat regnum tuum.[4] Hoewel we weten dat het al in de wereld aanwezig is – regnum Dei intra vos est[5], het rijk Gods is midden onder u – moet het zich nog in zijn volheid tonen. In woorden van Onze Lieve Heer werkt dit rijk als het zaadje dat geruisloos in de akker groeit, hoewel ook het onkruid dat de vijand zaait met het graan opkomt; en het is de zuurdesem die het deeg omzet in smakelijk brood. Met deze parabels legt Jezus de eigenschappen van het rijk Gods uit voor alle fasen van de geschiedenis, ook de onze. En omdat zijn rijk niet van deze wereld is[6] verschijnt het niet met lawaai en vertoon, maar het is op aarde aanwezig en groeit steeds verder, totdat het aan het einde der tijden roemrijk te voorschijn treedt.

«Het werk van Christus is altijd stil, het is niet spectaculair. De grote boom van het ware leven groeit juist in de nederigheid van de Kerk doordat iedere dag het evangelie wordt beleefd. Met dit nederige begin bemoedigt de Heer ons opdat wij ook in de nederigheid van de Kerk van vandaag, in de armoede van ons christelijk leven, zijn aanwezigheid kunnen zien en zo de moed kunnen hebben Hem tegemoet te gaan en zijn liefde, die een bron van vrede en echt leven is, op deze aarde tegenwoordig te stellen».[7] Al ontbreekt het niet aan gebeurtenissen in de geschiedenis die ogenschijnlijk het tegendeel laten zien, is het eigen aan God dit toe te laten. Hij wil zijn heilsplan verwezenlijken «door onze vrijheid te respecteren, want de liefde kan uit haar eigen aard niet worden opgelegd. Daarom is de Kerk, in Christus, de plaats waar de liefde van God wordt ontvangen en meegedeeld. Vanuit dit perspectief is duidelijk te zien hoe de heiligheid en het zendingskarakter van de Kerk de twee kanten van dezelfde medaille vormen: alleen voor zover de Kerk heilig is, dat wil zeggen vol goddelijke liefde, kan zij haar zending vervullen. En juist voor deze opdracht heeft God haar gekozen en geheiligd als zijn persoonlijk eigendom».[8]

Jezus Christus is koning van het heelal door zijn menswording en triomf aan het kruis.[9] En de prefatie van het hoogfeest geeft enkele kenmerken van dit rijk: rijk van waarheid en leven, rijk van heiligheid en genade, rijk van rechtvaardigheid, liefde en vrede.[10] Wij kunnen in deze uitdrukkingen de verschillende manieren zien waarop de triomf van Christus tot uiting komt wanneer de zielen volgzaam zijn jegens de werking van de heilige Geest. Uitingen die ons zullen helpen ons voor te bereiden op dit grote feest waarop wij de toewijding van het Opus Dei aan het allerheiligst en barmhartig Hart van Jezus zullen doen.

Rijk van waarheid en leven. Jezus heeft het Pilatus als volgt te kennen gegeven: Koning ben Ik. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Al wie uit de waarheid is, luistert naar Mijn stem.[11] De Romeinse landvoogd wilde niet naar de woorden van Jezus luisteren. Quid est véritas?[12], wat is waarheid? antwoordde hij onverschillig, terwijl hij de Meester de rug toekeerde.

Tegenwoordig gebeurt op vele plaatsen hetzelfde. Het ontbreekt niet aan mensen die droevig genoeg de Waarheid verwerpen. Zij willen niet aanvaarden dat alleen Christus de Weg, de Waarheid en het Leven is.[13] En ze blijven in de duisternis van de zonde.

Laten we eerherstel brengen voor het ergste kwaad dat een mens kan overkomen: zich vrijwillig afsluiten voor de Waarheid en voor het Leven dat Christus is, want het hart wordt door het kwaad verhard en verhindert de werking van de genezende genade van de Trooster. De heilige paus Johannes Paulus II heeft geschreven dat de werking van de heilige Geest «in de mens die zich in deze gesteltenis bevindt een innerlijke weerstand ontmoet, als het ware een ondoordringbaarheid van het geweten, een zielstoestand die uit vrije keuze verhard lijkt. (…) In onze tijd komt deze gesteltenis van de geest en het hart wellicht overeen met het verlies van het zondebesef. (…) Dit gaat gelijk op met het 'verlies van het besef van God'».[14]

Laten we tegelijk bedenken dat de macht van God oneindig groter is dan de tirannie van de zonde. We mogen de persoonlijke ontmoediging geen enkele kans geven als we om ons heen zien dat God vergeten wordt en zijn geboden worden geminacht. Laten we de Drie-eenheid vragen dat deze leegte ons niet beïnvloedt: we moeten vaker onze toevlucht nemen tot de kracht van de heilige Geest om de zonde te ontmaskeren en berouw in de harten op te wekken. Hij zal, zoals de Heer leert, de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde, gerechtigheid en oordeel is.[15] Door het geloof zijn wij ervan overtuigd dat God zijn Zoon niet in de wereld heeft gezonden om haar te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. [16] En zo, zegt de heilige Johannes Paulus II, «heeft het aantonen van zonde en gerechtigheid de redding van de wereld tot doel, de redding van de mensen».[17]

De heilige Jozefmaria heeft ons de juiste manier laten zien om mee te werken aan de vestiging van het rijk van Christus, ondanks de obstakels die er zijn: jullie weten allemaal dat er moeilijkheden zijn in het leven van de wereld en in het leven van de Kerk. Dat deze moeilijkheden van ons eisen – van ons allemaal – ons beter te gedragen, trouwer te zijn. Dat de Heer van jullie en van mij trouw en liefde verwacht in deze ogenblikken van ontrouw. Dat wij kalm moeten zijn, dat alle opgezweepte wateren tot rust zullen komen, de drab naar de bodem zal zinken en het water drinkbaar zal worden. En dat deze bergen, die ons ogenschijnlijk insluiten en de horizon niet laten zien, geslecht zullen worden: montes sicut cera fluxérunt a fácie Dómini (Ps. 96 [97] 5), zegt de Schrift: de bergen smelten als was voor het aanschijn van Jahweh. Want de wil van God is liefde en barmhartigheid. Misericórdia Dómini plena est terra (Ps. 32 [33] 5), de aarde is vol van de barmhartigheid van God. De Heer houdt heel veel van ieder van jullie en van mij, maar Hij zal nog meer van ons houden als wij zijn Kerk beminnen die onze Moeder is en die zo wordt gekweld.[18]

Rijk van heiligheid en genade: nog een kenmerk van het rijk van God dat het gevolg is van de vereniging met Christus, de Waarheid en het Leven. Door de werking van de heilige Geest wordt de christen bij het doopsel een kind van God en door de andere sacramenten – vooral door de Eucharistie – wordt hij meer en meer vereenzelvigd met Jezus Christus, tot hij met sint Paulus kan herhalen: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Dit sterfelijk bestaan is voor mij nog slechts leven in het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgeleverd.[19] Deze vereenzelviging tast niemands eigenheid aan: jullie moeten zo verschillend zijn als de heiligen in de hemel die allen hun eigen, zeer persoonlijke trekken hebben. En tegelijkertijd moeten jullie evenveel op elkaar gelijken als de heiligen, die niet heilig zouden zijn als zij zich niet helemaal gelijkvormig hadden gemaakt aan Christus.[20]

Het feest van vandaag, het hoogfeest van Allerheiligen, laat ons deze prachtige eenheid en verscheidenheid zien die eigen zijn aan het christelijk leven. De zaligverklaring van don Álvaro en, enkele dagen geleden, die van Paulus VI tonen eveneens de wonderlijke inwerking van God die zijn kinderen heiligt voor zijn glorie en voor het welzijn van de Kerk. Daarom is de vreugde van het evangelie een vreugde die niets en niemand ons ooit zal kunnen ontnemen (vgl. Joh. 16, 223). Al het kwaad van onze wereld – en dat van de Kerk – zou geen excuus moeten zijn om onze inzet en ons vuur te verminderen. Laten we het beschouwen als uitdagingen om te groeien. Bovendien is de blik van het geloof in staat het licht te herkennen dat de heilige Geest steeds midden in de duisternis uitstort. (….) Ons geloof wordt uitgedaagd een glimp op te vangen van de wijn waarin het water kan worden veranderd, en het graan te ontdekken dat groeit te midden van het onkruid. Ook al voelen wij verdriet vanwege de ellende van onze tijd en staan wij ver van naïef optimisme, de grootste realiteitszin mag vijftig jaar na het Tweede Vaticaans Concilie niet minder vertrouwen in de Geest, noch minder edelmoedigheid betekenen.[21]

Deze zekerheid van het geloof verlicht de duisternis die soms over de mensheid lijkt neer te dalen. God kan meer! Hij bezit in zijn oneindige wijsheid en almacht het vermogen uit het kwade het goede te halen. Daarom is het geloof de wortel van het bovennatuurlijke optimisme dat allerbelangrijkst is en de christen altijd moet bewegen. De heilige Geest is werkelijk onze Helper, onze raadsman, zoals deze term het uitdrukt.

Wanneer het rijk van God zich in het diepst van de ziel vestigt, gebeurt wat de prefatie van de Mis van Christus Koning verkondigt: door het persoonlijke apostolaat vertoont het zich als een rijk van gerechtigheid, van liefde en vrede. Uit het hart van de christen komen dan de rechtvaardigheid en de barmhartigheid voort die zich uitbreiden naar andere mensen, totdat ze de menselijke structuren doordrenken. En, in woorden van onze stichter, veranderen wij, de kinderen van God die deze gave kennen, in zaaiers van vrede en vreugde.

Morgen vieren wij Allerzielen. Laten we edelmoedig zijn in het bidden – op de eerste plaats in de heilige Mis – voor de zielen in het vagevuur, in het bijzonder voor degenen die dat het meest nodig hebben. Ik denk er met ontroering aan hoeveel onze Vader van allen die vóór ons van deze aarde zijn heengegaan hield en hoe hij met ze omging: met zijn dochters en zonen, zijn ouders en broer en zussen, en – met dezelfde genegenheid – met onze bloedverwanten, met alle zielen in het vagevuur, zijn goede vrienden. Zijn overtuiging dat vita mutátur, non tóllitur[22] was duidelijk te merken: het leven verandert, het gaat niet verloren, als men de Heer is gevolgd.

Met vreugde deel ik jullie mee dat ik op de 3e van deze maand naar Moskou zal gaan: vergezellen jullie mij nu met jullie gebed op deze reis. En zaterdag 8 november zal ik 32 broers van jullie de diakenwijding toedienen: laten wij ervoor bidden dat ze heilig mogen zijn, en ook bidden voor alle bedienaren van de Kerk, vanaf de paus tot de laatste net gewijde priester, met een oprechte liefde voor iedereen. De 28e, de verjaardag van de oprichting van het Werk tot personele Prelatuur, moeten we de allerheiligste Drie-eenheid bijzonder dankbaar zijn voor de definitieve juridische structuur van het Opus Dei: dit deeltje van de Kerk dat gevormd wordt door priesters en leken en dat onze dienst aan de Kerk en aan alle zielen zo zeer vergemakkelijkt.

Blijft bidden voor de vruchten van de recente buitengewone Bisschoppensynode en voor al mijn intenties.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 november 2014


1. Mc. 16, 15.

2. Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 31.

3. Ibid.

4. Mt. 6, 10.

5. Lc. 17, 21.

6. Vgl. Joh. 18, 36.

7. Benedictus XVI, Homilie, 15-6-2008.

8. Ibid.

9. Vgl. Pius XI, enc. Quas primas, 11-12-1925.

10. Romeins Missaal, Hoogfeest van Christus Koning, Prefatie.

11. Joh., 18, 37.

12. Ibid., 38.

13. Joh. 14, 6.

14. Heilige Johannes Paulus II, Enc. Dominum et vivificantem, 18-5-1986, nr. 47.

15. Joh. 16, 8.

16. Joh. 3, 17.

17. Heilige Johannes Paulus II, Enc. Dominum et vivificantem, 18-5-1986, nr. 27.

18. Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 11-11-1972.

19. Gal. 2, 20.

20. Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 947.

21. Paus Franciscus, apost. exh. Evangelium gaudium, 24-11-2013, nr. 84.

22. Romeins Missaal, prefatie I van de overledenen.

______________________________________________________________________

Copyright © Prælatura Sanctæ Crucis et Operis Dei