Brief van de prelaat (november 2009)

Het priesterjaar helpt ons herinneren dat alle christenen met hun eigen leven Jezus Christus dichterbij hun medemens moeten brengen. Dat vormt het centrale onderwerp van deze astorale brief van de prelaat van het Opus Dei.

Pastorale brieven en berichten

Geliefden: Jezus beware mijn dochters en zonen!

Aan het begin van de maand november van het Priesterjaar bedenk ik graag dat de novembermaand tussen twee liturgische feesten is geplaatst, waardoor het priesterlijk karakter van het volk Gods gekenmerkt wordt, namelijk de plechtigheid van Allerheiligen en die van Christus Koning. Op de eerste, die we vandaag vieren, wordt het priesterschap van Christus openbaar in zijn ledematen, de christenen. Op de 22ste wordt duidelijk dat ons Hoofd, Jezus Christus, Priester in eeuwigheid is en Koning en Heer van heel de schepping [Romeins Missaal, Hoogfeest van onze Heer Jezus Christus, Koning van het heelal, Prefatie], die met zijn glorievolle komst op het einde der tijden het koningschap aan God de Vader zal overdragen [Vgl. 1 Kor 15, 24].

Deze twee hoogfeesten nodigen ons uit na te denken over de waardigheid van de christelijke roeping. In zijn eerste brief richt de heilige Petrus tot ons, gedoopten, de volgende woorden: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht: gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd [1 Pe 2, 9-10]. De prins der Apostelen bevestigt dat God, toen Hij ons door de heilige Geest tot zijn kinderen heeft gemaakt, ons heeft opgenomen in het nieuwe Volk van God, de Kerk, waartoe men niet behoort door afstamming naar het vlees maar door de inlijving in Christus. Krachtens deze ongelofelijke uitverkiezing om niet en onverdiend –deelgenoten aan Christus’ priesterschap!– worden we uitgenodigd de goddelijke wonderwerken te verkondigen met ons voorbeeld, onze woorden en daden.

Laten we de goedheid van God de Vader bewonderen en Hem dankzeggen. Hij wilde zich niet tevreden stellen met zijn Zoon de wereld in te zenden om ons te redden, maar Hij heeft gewild dat de Verlossing alle mensen tot het einde der tijden zou bereiken, door zich te bedienen van de Kerk, die het Lichaam van Christus is en de verlossende aanwezigheid van de Heer in ruimte en in tijd. De heilige Augustinus stelt: ‘zoals we allen [de gedoopten] christenen noemen krachtens het enige chrisma, zo noemen we ook allen priesters omdat zij ledematen zijn van de enige Priester’ [Heilige Augustinus, De stad van God XX, 10 (CCL 48, 720)]. Onze Vader overwoog deze grootse gave geregeld en hij spoorde ons aan dezelfde gevoelens als Christus te hebben [Vgl. Fil 2, 5]. Daarom moeten we bedenken: tot op welke hoogte zet ik me in om me deze rijkdom eigen te maken?

De universele roeping tot heiligheid en apostolaat wortelt in het merkteken van het doopsel. Het algemeen priesterschap gaat vooraf aan het ministerieel priesterschap, dat zich ten dienste stelt van het algemeen priesterschap. Zonder de wedergeboorte van het doopsel kunnen er geen gewijde dienaren bestaan, want dit sacrament opent de deuren naar alle andere sacramenten. Zonder het ministerieel priesterschap, waarvan de Kerk zich bedient om aan de mensen Christus’ leer te verkondigen, en ze door de sacramenten op te nemen in zijn leven –vooral door de Eucharistie– en naar de Hemel te leiden, zouden we niet kunnen voortgaan op de weg naar de heiligheid. ‘Het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap verschillen weliswaar van elkaar in wezen en niet alleen naar rangorde. Doch ze zijn op elkaar aangewezen en het ene zowel als het andere heeft op zijn bijzondere wijze aan Christus’ priesterschap deel [Tweede Vaticaans Concilie, Dogm. Const. Lumen gentium, n. 10].

De heilige pastoor van Ars wist met grote levendigheid de noodzaak van het ministerieel priesterschap uit te drukken. In zijn brief ter gelegenheid van het Priesterjaar, heeft Benedictus XVI enkele van zijn uitdrukkingen opgenomen: ‘Zonder de priester zouden de dood en het lijden van onze Heer tot niets dienen. Het is de priester die het verlossingswerk op aarde voortzet… Wat zouden we hebben aan een huis vol goud als er niemand was die de deur ervan voor ons opende? De priester bezit de sleutel tot de hemelse schatten: hij is het die de deur opent; hij is de rentmeester van de goede God, de beheerder van Zijn goederen… De priester is geen priester voor zichzelf, hij is het voor jullie’ [H. Johannes Maria Vianney, geciteerd door Benedictus XVI in de brief aan de priesters, 16-6-2009]. Hoe bidden we dagelijks met onvervalst geloof opdat er geen priesters ontbreken? Smeken we de Heer van de oogst, zoals het onze verantwoordelijkheid als christenen past, arbeiders te sturen naar zijn land? En wel het nodige aantal om te kunnen voorzien in de overvloedige noden van de gehele wereld?

Laten we terugkeren naar de liturgie van vandaag, die het priesterlijk karakter van het Volk van God onderstreept. Bij een indrukwekkend visioen toont de Apocalyps ons een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Zij stonden voor de troon en voor het Lam, gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand. En zij riepen allen luid: ‘Aan onze God die op de troon is gezeten en aan het lam behoort de overwinning! [Apok 7, 9-10] Deze menigte personen die, met de engelen, in aanbidding neerknielen voor de allerheiligste Drie-eenheid, zijn de heiligen. Sommigen zijn bekend maar de meerderheid is onbekend. Hier ziet men het Volk van God in zijn laatste etappe. Het zijn de heiligen uit het Oude Testament, vanaf de rechtvaardige Abel en de trouwe aartsvader Abraham, en degenen uit het Nieuwe Testament, de ontelbare martelaren uit het begin van het christendom, en de zaligen en heiligen van de daarop volgende eeuwen, tot aan de getuigen van Christus van onze tijd. Allen zijn verenigd door de wil om in hun eigen leven het Evangelie te belichamen, onder leiding van de eeuwige helper van Gods Volk, de heilige Geest [Benedictus XVI, Homilie bij de plechtigheid van Allerheiligen, 1-11-2006].

Zowel het ministerieel als het algemeen priesterschap bestaat om de mensen te heiligen. De gewijde dienaren, verenigd met Christus het Hoofd van de Kerk, beoefenen hun ambt door Gods Woord te verkondigen, de sacramenten toe te dienen en door herders te zijn die hun gelovigen naar het eeuwige leven leiden, als onzichtbare instrumenten van de Eeuwige Hogepriester. De lekengelovigen delen echter ook, door de kracht van het koninklijk priesterschap, op hun eigen bijzondere wijze, in deze drievoudige zending van Christus’ Priesterschap. De heilige Jozefmaria legde uit dat alle christenen, zonder uitzondering, tot priesters van ons eigen bestaan zijn aangesteld om geestelijke offers te brengen aangenaam aan God door Jezus Christus (1 Pe 2, 5) zodat wij al onze daden verrichten in de geest van gehoorzaamheid aan Gods wil. Op deze wijze zetten wij de zending van de God-Mens voort [H. Jozefmaria, Als Christus nu langskomt, n. 96]. Er is geen enkele speciale opdracht van de autoriteit van de Kerk nodig om zich aangespoord te voelen deel te nemen in het verlossingswerk. De christen die zich in Christus ingelijfd weet door het doopsel, die door het vormsel de kracht ontvangen heeft om voor Christus te strijden en die op grond van het algemeen priesterschap van de gelovigen geroepen is God te dienen in de wereld, wordt door zijn optreden een apostel. Dit algemeen priesterschap dat een bepaalde deelname geeft aan het priesterschap van Christus, verschilt essentieel van datgene waaraan men deelachtig wordt door het ambtelijk priesterschap. Niettemin geeft het algemeen priesterschap de bevoegdheid, deel te nemen aan de eredienst van de Kerk en mensen de helpende hand te bieden op hun weg naar God, door het getuigenis van woord en voorbeeld, door gebed en boetedoening [H. Jozefmaria, Als Christus nu langskomt, n. 120].

Laten we geregeld stil staan bij dit kenmerk van de christen. We moeten immers dragers van Christus naar de mensheid zijn en dragers van de mensheid naar Christus.

In de loop van dit Priesterjaar moeten we, naast het bidden voor de heiligheid van de priesters, ook bidden voor de heiligheid van het gehele christenvolk. Als er namelijk gezinnen zijn die hun kinderen in Gods liefde opvoeden met hun voorbeeld van christelijk leven, en als er mannen en vrouwen zijn die serieus op zoek zijn naar Jezus Christus in de omstandigheden van hun gewone bestaan, dan zullen er veel jongeren zijn die zich door de Heer geroepen voelen tot het ministerieel priesterschap. Deze maanden wordt ons een nieuwe gelegenheid geboden te groeien in het bewustzijn van de universele roeping tot heiligheid en apostolaat en ons in te zetten deze roeping vastbesloten te volgen, zonder middelmatigheid en zonder ons te laten beheersen door de gemoedstoestand. Hoe, en tot op welke hoogte laten we ons door de vermoeidheid, de tegenslagen en de mislukkingen beïnvloeden? Verliezen we gemakkelijk de vrede zonder onze toevlucht in God te zoeken? Beseffen we dat het kruis het fundament en de kroon van de Kerk is?

De heilige Jozefmaria ontving speciale inzichten van God om te verkondigen hoe men ten dienste van de uitbreiding van het Rijk Gods kan werken in de tijdelijke aangelegenheden. Op de dag dat hij deze wereld verliet, herinnerde hij aan een groep vrouwen, gelovigen van het Opus Dei, dat ook zij –zoals alle christenen– een priesterlijke ziel hebben. Jaren eerder had hij geschreven: in alles en altijd moeten we, priesters zowel als leken, een werkelijk priesterlijke ziel hebben en een volledig laïcale mentaliteit, opdat we in ons persoonlijk leven die vrijheid kunnen begrijpen en beoefenen die we hebben in kerkelijke en in tijdelijke zaken, aangezien we ons tegelijkertijd beschouwen als burgers van de stad Gods (vgl. Ef 2, 19) en van de stad der mensen [H. Jozefmaria, Brief, 2-2-1945, n. 1].

De priesterlijke ziel, benadruk ik nogmaals, brengt de gelovigen ertoe dezelfde gevoelens van Christus te hebben, met het verlangen zich elke dag met Hem in de heilige Mis en in de loop van de dag te verenigen. De priesterlijke geest zet ons aan te groeien in de heilige ambitie om te dienen, met een oprechte en concrete toewijding aan het geestelijke en materiële welzijn van onze naasten. De priesterlijke geest spoort eveneens aan te groeien in een gemeende ijver voor de zielen, met de heftige wens medeverlossers met Christus te zijn, verenigd met de allerheiligste Maagd, en kinderlijk verboden met de paus. Deze geest beweegt ons er bovendien toe ons beschikbaar te stellen om de zonden goed te maken: de eigen zonden van ieder en die van alle mensen… Kortom de priesterlijke ziel brengt ons er toe God en de naaste lief te hebben ten dienste van de Kerk en de zielen zonder ooit te zeggen dat het zo genoeg is. De heilige Jozefmaria vatte het als volgt samen: met deze priesterlijke ziel die ik de Heer voor ieder van jullie vraag, moeten jullie proberen om temidden van de gewone bezigheden, jullie hele leven om te vormen in een voortdurende lofprijzing tot God: gebed en voortdurend eerherstel, smeekgebed en offer voor alle mensen. En dit alles in een trouwe en hechte vereniging met Jezus Christus in het heilig Altaaroffer [H. Jozefmaria, Brief, 28-3-1955, n. 4].

In de heilige Mis krijgen onze werken eeuwigheidswaarde. Op deze momenten wordt het bewustzijn van de christen versterkt dat hij zich verbonden heeft om met Jezus mee te werken in de heiliging van de menselijke bezigheden, door zijn eigen leven en zijn activiteiten aan te bieden. ‘Altare Dei est cor nostrum’ [H. Gregorius, Moralia 25, 7, 15 (PL 76, 328)], zei H. Gregorius de Grote; ons hart is Gods altaar. We moeten Hem niet alleen aan het altaar dienen, maar in de gehele wereld, die een altaar voor ons is. Alle werken van de mensen vormen als het ware een altaar, en ieder van jullie viert, in deze eenheid van contemplatieve zielen de gehele dag, op de een of andere manier zijn Mis, die vierentwintig uur duurt, in afwachting van de volgende Mis, die ook weer vierentwintig uur duurt, en zo tot het eind van ons leven [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een meditatie, 19-3-1968].

Als uiting van hun deelname aan het profetisch ambt van Jezus Christus, dienen alle gelovigen zich in te zetten de goddelijke boodschap aan anderen door te geven. Er bestaan veel manieren om deel te nemen aan de evangelisatietaak van de Kerk. Hoe dan ook, aan de basis van elk apostolisch werk ligt Christus’ bevel dat gericht is tot alle christenen: gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen (…) leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb [Mt 28, 19-20].

De deelname aan Christus’ koninklijk ambt spoort de christenen ook aan om de wereldlijke aangelegenheden te heiligen. De leken, in het bijzonder door hun inzet om de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens Gods wil te regelen [Tweede Vaticaans Concilie, Dogm. Const. Lumen gentium, n. 31], en door in de wereld als zuurdesem te werken [Tweede Vaticaans Concilie, Decr. Apostolicam actuositatem, n. 2] en zo Christus aan de top van al hun activiteiten te plaatsen.

‘Het algemeen priesterschap dat we bij de doop hebben ontvangen, –zei don Alvaro, in navolging van de heilige Jozefmaria– is koninklijk, vorstelijk (vgl. 1 Pe 2, 9). Als we God alles wat we zijn en hebben aanbieden en Hem alle nobele menselijke activiteiten opdragen die verricht zijn volgens de wil van God, dan zijn wij koninkrijk van Christus en heersen wij met Hem’ [Mgr. Alvaro del Portillo, Pastorale brief, 9-1-1993, n. 11].

Als onderdeel van de specifieke zending die God hem had toevertrouwd, legde de heilige Jozefmaria uit dat de lekenmentaliteit, die eigen is aan hun seculiere status en hun plaats in de wereld, een essentieel kenmerk is van de manier waarop Christus’ priesterschap volgens de geest van het Opus Dei tegenwoordig gesteld wordt, zowel door de gewijde dienaren als door de lekengelovigen. Gevormd door de priesterlijke geest van Gods kinderen, brengt een goed begrepen lekenmentaliteit de gelovigen ertoe op een specifieke manier mee te werken aan de verlossingstaak van de Kerk. Namelijk door de vrijheid en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid te beminnen. En door alle goede dingen van deze wereld lief te hebben met een liefde die jullie eigen is, waardoor jullie uiteindelijk in je gewone werk de natuur en de genade, het menselijke en het goddelijke met elkaar versmelten zonder ze te vervagen [H. Jozefmaria, Brief, 28-3-1955, n. 8]. Zo zullen priesters en leken samenwerken in de vervulling van de enige missie van de Kerk. Ieder volgens de gaven die hij heeft ontvangen en met respect voor de specifieke situatie van ieder persoonlijk. De leken beoefenen hun taak te midden van de tijdelijke structuren, door te trachten ze met de geest van Christus te bezielen. De priesters dienen de anderen door hun verkondiging van Gods Woord en de toediening van de sacramenten. Dit bevordert, aldus de heilige Jozefmaria, dat de geestelijken en de leken elkaar niet in de weg lopen. Bovendien wordt zo vermeden dat de geestelijken zich willen bemoeien met de zaken van de leken en de leken zich mengen in zaken die eigen zijn aan de geestelijken [H. Jozefmaria, Brief, 19-3-1954, n. 21].

Op 28 november vieren we een nieuwe verjaardag van de oprichting van het Opus Dei tot personele prelatuur. Zeggen we God dank, en laten we ons inspannen om de diep theologische en geestelijke betekenis te verspreiden van de organische samenwerking tussen priesters en leken in het Opus Dei om deel te nemen aan de missie van de Kerk. Laten we dit vooral doen door de getuigenis van een coherent christelijk leven en doordat ieder volhardt, –zoals de Apostel zegt– in de staat waarin hij geroepen werd [1 Kor 7, 20]: door honderd procent priesters of leken te zijn. Op deze manier zullen we de Kerk met doeltreffendheid dienen zoals we altijd hebben getracht. Wellicht is dat nu nog noodzakelijker, nu velen wereldlijkheid (waarmee men God tracht te bannen uit de tijdelijke structuren) met lekenmentaliteit verwarren. Bevorderen we de gezonde lekengeest, waaraan de paus meermaals gerefereerd heeft [Vgl. Benedictus XVI, Toespraken op 18-5-2006 en 11-6-2007].

Binnen enkele dagen, op 7 november, zal ik tweeëndertig gelovigen van de Prelatuur tot diaken wijden. Smeken we de Heer dat het Zijn goede en heilige dienaren moge worden. Laten we doorgaan met ons gebed voor de paus en zijn medewerkers, voor de priesters, de diakens en voor de kandidaten tot het priesterschap in de gehele wereld. Laten we ook de dag herdenken waarop Maria de liefkozing aan onze Vader gaf, waardoor hij de ‘roos’ van Rialp vond. Richten we ons tot onze Moeder Maria opdat zij van God voor ons de geurende ‘roos’ van de trouw mag verkrijgen. Rekenen we ook op de hulp van allen die ons zijn voorgegaan. Versterken we in de komende weken de eenheid van de zegevierende, lijdende en strijdende Kerk met ons gebed en ons offer.

Met de grootste liefde zegent jullie,

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 november 2009