Brief van de prelaat (maart 2015)

In deze brief van de prelaat staat de Veertigdagentijd centraal. Hij nodigt ons uit om de naastenliefde goed te beleven.

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (maart 2015)

Mijn geliefde kinderen, moge Jezus jullie behoeden!

Sinds het begin van de veertigdagentijd zijn er al een aantal dagen verlopen. Vol dankbaarheid en met het verlangen om te leren beschouwt de Kerk opnieuw de veertig dagen van gebed en vasten van Jezus Christus in de woestijn en hoe Hij uit de strijd tegen de kwade geest als overwinnaar tevoorschijn treedt. De Kerk houdt ons bovendien voor, ons heel goed voor te bereiden om de scenes van het lijden, de dood en de verrijzenis van Onze Heer in de komende paasweek intens mee te beleven. Daarom nodigt zij ons uit deze liturgische tijd heel verenigd met de Meester te doorlopen, zoals de heilige Johannes Paulus II ons een paar jaar geleden in herinnering heeft gebracht.

«Wij gaan nu naar Jeruzalem» (Mc. 10, 33). Met deze woorden nodigt de Heer de leerlingen uit samen met Hem de weg af te leggen die vanuit Galilea naar de plaats leidt waar zijn verlossende zending voltooid zal worden. De evangelisten voelen aankomen dat deze weg naar Jeruzalem het hoogtepunt van de aardse tocht van Jezus is en het levensmodel vormt voor de christen, die de Meester op zijn kruisweg wil volgen.

«Christus richt deze uitnodiging om “op te gaan naar Jeruzalem" ook tot de mensen van tegenwoordig. En met een bijzondere nadruk doet Hij dat in deze veertigdagentijd, die heel geschikt is om ons te bekeren en in volle gemeenschap met Hem te treden door intiem deel te nemen aan het mysterie van zijn dood en verrijzenis. Daarom is de veertigdagentijd voor de gelovigen de gelegenheid bij uitstek om ons leven diepgaand te herzien.» [1]

Wij kennen de belangrijkste praktijken die de Kerk voor de veertigdagentijd aanbeveelt om dit verlangen naar bekering te tonen: het gebed, de boete, de werken van barmhartigheid. Ik zou graag zien dat wij ons deze keer in het bijzonder op het laatste richten. Paus Franciscus heeft het in zijn boodschap voor de veertigdagentijd over de globalisatie van de onverschilligheid: een kwaad dat in onze tijd is toegenomen en dat regelrecht in strijd is met de manier van handelen van God. Zeker is het zo dat de Heer in zijn oneindige barmhartigheid voor alle mensen en voor iedereen afzonderlijk zorgt. Hij zoekt ons ook wanneer wij ons van Hem verwijderen; Hij blijft ons de helderheid van zijn licht en de kracht van zijn genade sturen, opdat wij besluiten ons op ieder moment als goede kinderen van Hem te gedragen. Maar wat ons gebeurt, – onderstreept de paus – is dat, wanneer bij ons alles loopt en wij ons goed voelen, wij de anderen vergeten (iets wat God de Vader nooit doet) en hun problemen ons niet interesseren, evenmin als hun leed of de onrechtvaardigheden waaronder zij te lijden hebben…[2]

Om dit gevaar te overwinnen moeten wij bedenken dat wij solidair met elkaar horen te zijn. En vooral moeten wij nadenken over de gemeenschap van de heiligen die ons ertoe zal aanzetten onze broeders en zusters die behoefte hebben aan geestelijke of materiële bijstand, te dienen en elke dag voor ze te zorgen. De veertigdagentijd wordt zo een tijd die bijzonder geschikt is om Christus na te volgen met een edelmoedige overgave aan de ledematen van Zijn Mystieke Lichaam, eraan denkend hoe Hij zich aan ons geeft.

De kracht om ons zo te gedragen halen we uit het aandachtig luisteren naar het Woord van God en het ontvangen van de sacramenten – de Biecht, de Eucharistie – die voor deze dagen concreet in de geboden van de Kerk aangegeven worden. We moeten bedenken dat we door met de juiste geestelijke gesteltenis het Lichaam van de Heer in de communie ontvangen, meer en meer op Hem gaan lijken. Onze vereenzelviging met Jezus zal steeds volmaakter worden, totdat wij – zoals onze Vader altijd herhaald heeft – ipse Christus, Christus zelf worden. Dan zullen wij ons alle noden van de anderen heel eigen maken en zal in ons hart de korst van het egoïsme, van de gerichtheid op ons eigen ik niet kunnen groeien: wie van Christus is behoort tot één enkel lichaam en in Hem zijn wij niet onverschillig jegens de anderen.[3] Hoe zouden we ons niet herinneren wat Sint Paulus onomwonden gepredikt heeft: wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, alle delen in de vreugde.[4]

Mijn kinderen, ik vind het belangrijk, heel belangrijk, dat wij deze overwegingen toepassen op de zorg voor de zieken. Het is een werk van barmhartigheid dat Jezus Christus op een bijzondere manier beloont. Laten we ook dagelijks bidden voor degenen die vanwege hun religieuze overtuiging vervolgd worden. Niemand mag ons onverschillig laten! Laten we de Heer vragen hen met zijn genade bij te staan en kracht te geven. En omdat de naastenliefde geordend is, moet deze op de eerste plaats gericht zijn op wie dichter bij ons is – leden van onze bovennatuurlijke of natuurlijke familie, vrienden en buren, collega's –, al diegenen met wie wij door speciale banden van broederlijkheid verbonden zijn door de verschillende situaties waarin wij verkeren.

De suggesties die ik overneem zijn heel duidelijk: Hebben wij de ervaring dat wij deel uitmaken van één enkel lichaam? Een lichaam dat ontvangt en deelt in wat God het wil geven? Een lichaam dat zijn zwakste, armste en kleinste ledematen kent en ervoor zorgt? Of vluchten wij weg in een universele liefde die zich wel verbonden wil voelen met degenen die ver weg in de wereld leven, maar die de Lazarus die voor onze eigen gesloten deur zit vergeet? (vgl. Lc. 16, 19-31).[5]

Ik benut deze regels om mijn dochters en zonen en zo vele anderen die voor de zieken en de ouderen zorgen, opnieuw te bedanken voor hun edelmoedige toewijding aan dit werk: hoe glimlacht God ze toe! Het is me niet onbekend dat deze taak soms erg vermoeiend is. Maar laten we onze ogen dan richten op een feit dat in het licht van het geloof heel duidelijk is: de zorg voor degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, zowel in het eigen gezin als op andere plaatsen, leidt ons rechtstreeks binnen in het barmhartige Hart van de Heer. Laten we doen wat we kunnen om hun zo goed mogelijk van dienst te zijn, zonder ooit het persoonlijke offer uit de weg te gaan. Ik lees vaak hoe de heilige Jozefmaria vol vreugde de zieken ging bezoeken en ze vergezelde; hij had dat nodig, ook om het Opus Dei te verwezenlijken! Uit deze ogenblikken haalde hij de kracht om te vervullen wat God hem vroeg.

Wij hebben in het Werk een ruime ervaring met deze werken van barmhartigheid: het Opus Dei is niet voor niets – herhaal ik – geboren en sterk geworden onder de armen en zieken. Voor onze weg is het veelbetekenend dat onze Vader tijdens een familiebijeenkomst op 19 maart 1975, een paar maanden voordat hij naar de hemel ging, – intussen zijn er veertig jaar voorbij gegaan – levendig aan die begintijden herinnerde. Ik nodig jullie uit opnieuw bij zijn woorden stil te staan.

Ik ging sterkte zoeken in de armste wijken van Madrid. Uren en uren onderweg, iedere dag, te voet van de ene kant naar de andere, onder verwaarloosde armen en ellendige armen, die absoluut niets hadden; onder kinderen met een snotneus, heel vies, maar kinderen, dat wil zeggen zielen die God aangenaam zijn. (…) En het was goed, het was een vreugde. Ik heb veel uren aan dat werk besteed, maar ik heb er spijt van dat het er niet méér zijn geweest. En in de ziekenhuizen, en in de huizen waar zieken waren, als je die krotten tenminste huizen kunt noemen… Het waren hulpeloze en zieke mensen; sommigen met een ziekte die toentertijd ongeneeslijk was, tbc. (…)

Het waren enkele intense jaren, waarin het Opus Dei van binnen groeide zonder dat wij het beseften. Maar ik heb jullie willen zeggen – ooit zullen ze het jullie met meer details vertellen, met documenten en papieren – dat de menselijke sterkte van het Werk bestond uit de zieken in de ziekenhuizen van Madrid: de meest ellendigen; mensen die in hun eigen huis leefden en menselijk gezien ook het laatste beetje hoop hadden verloren; de minst ontwikkelden van die buitenwijken.[6]

Ik wil de zieken graag voorhouden volgzaam te zijn en zich te laten verzorgen; dankbaar te zijn voor de menselijke en christelijke liefde die Jezus zelf hun geeft door middel van degenen die voor hen zorgen. Veel mensen, ook onder degenen die de schat van het geloof niet bezitten, worden ontroerd door deze uitingen van echte christelijke en menselijke liefde en zij ontdekken tenslotte in de zieken of in de mensen die zich ten volle aan hen geven het gelaat van Jezus!

Wat zijn we blij met de naderende hoogfeesten van sint Jozef en van Maria Boodschap. Zij hebben een aanzienlijk belang in dit Mariajaar dat aan het gezin is gewijd, want ze stellen ons de sfeer van het gezin van Nazareth voor ogen. Daar werd de grote barmhartigheid van God jegens de mensen duidelijk, de liefde van de Drie-eenheid door de menswording van het Woord in de allerzuiverste schoot van Maria. Daar heeft Jezus lange jaren doorgebracht, op ieder moment omringd door de genegenheid en zorg van zijn Moeder en van sint Jozef. Daar heeft de heilige aartsvader met menselijke en bovennatuurlijke volmaaktheid gewerkt. Het zijn redenen bij uitstek om hun de heiligheid van de christelijke gezinnen toe te vertrouwen en hun bescherming over alle gezinnen op aarde af te smeken.

De paus heeft in zijn laatste catecheses de zeer belangrijke rol van de moeder en van de vader in de schoot van het gezin onderstreept: de moeders – zei hij bij een van deze gelegenheden – zijn het sterkste tegengif tegen de verspreiding van het egoïstische individualisme.[7] Hetzelfde kan beweerd worden van de vaders die net zo'n fundamentele rol hebben. Ieder gezin heeft de aanwezigheid van een vader nodig, al is men ongelukkigerwijze tegenwoordig zo ver gekomen te beweren dat onze maatschappij een “samenleving zonder vaders" is. (…) In het bijzonder in de westerse cultuur zou de persoon van de vader symbolisch afwezig, veranderd, verdwenen zijn.[8] Deze opvatting is een heel ernstige dwaling, want zowel de vader als de moeder blijken in alle opzichten volledig onmisbaar te zijn voor de harmonische ontwikkeling van de kinderen. Is ons gebed voor het gezin, deze vitale cel van de Kerk en de burgermaatschappij, intens en edelmoedig? Bidden wij ervoor dat ieder gezin een voortzetting is van het gezin dat in Nazareth onderdak heeft geboden aan de Zoon van God? Denken wij eraan te bidden voor het geluk van de echtgenoten aan wie God geen kinderen schenkt, opdat zij de goddelijke wil kunnen beminnen en bovendien een voorbeeld van dienstbaarheid kunnen geven aan de gehele mensheid?

Of God nu veel, weinig of geen kinderen schenkt, alle christelijke gezinnen horen, hoe dan ook, de vreugde te stimuleren van het besef dat men een huiskerk is. Daarom vat ik het volgende onderricht van de heilige Jozefmaria samen, dat men de kinderen altijd met vreugde en dankbaarheid moet ontvangen, omdat ze een geschenk en een zegen van God zijn en een bewijs van zijn vertrouwen.[9] En hij heeft daaraan toegevoegd: twijfelt er niet aan dat het teruglopen van het kindertal in de christelijke gezinnen een terugloop zal betekenen in het aantal priesterroepingen en in de zielen die zich voor hun hele leven aan de dienst van Jezus Christus willen wijden. Ik heb verscheidene echtparen gezien die het enige kind dat God hun had gegeven edelmoedig aan Hem hebben opgedragen. Maar het zijn er niet veel die het zo doen. Voor een kinderrijk gezin is het gemakkelijker de grootsheid van de goddelijke roeping te begrijpen, en in die gezinnen zijn er kinderen voor alle levensstaten en wegen.[10]

Niet alle echtparen krijgen nakomelingen. Als dat het geval is mogen ze zich niet mislukt voelen, want dat zijn ze niet. Het is een andere – even goddelijke – manier die de Heer heeft om de huwelijksliefde te zegenen. De grote gezinnen – heeft onze Vader gezegd – bezorgen me veel vreugde. Maar wanneer ik een echtpaar zonder kinderen ontmoet, omdat God ze hun niet heeft geschonken, ben ik even blij: zij kunnen hun huiselijk leven net zo goed heiligen als echtparen met kinderen, maar ze beschikken bovendien over meer tijd om zich aan de kinderen van anderen te wijden, en velen doen dat met een ontroerende zelfverloochening. Ik ben er trots op te kunnen verzekeren dat ik nooit een nobele aardse liefde heb uitgedoofd; in tegendeel, ik heb deze aangemoedigd, want deze moet – iedere dag meer – een goddelijke weg zijn.[11] Laten we God danken voor de vreugdevolle trouw van deze echtgenoten.

Op het feest van sint Jozef richten wij ons allemaal tot de heilige aartsvader om hem te vragen heel ons bestaan, dag in dag uit, vol trouw jegens God te maken, zoals deze goede en rechtvaardige man aan ieder verzoek van God heeft beantwoord. En voordat ik deze brief beëindig wil ik jullie eraan herinneren dat het de 28e maart negentig jaar geleden is dat onze Vader de priesterwijding ontving. Roept hem aan, in het bijzonder met een vroom en voortdurend smeekgebed voor de Kerk en de paus; voor roepingen van priesters en religieuzen; voor – even goddelijke – roepingen tot een totale overgave midden in de wereld, in het apostolisch celibaat of in het huwelijk; voor de trouw van alle christenen. Richt jullie smeekbeden met geloof en vertrouwen tot Maria en sint Jozef, opdat wij een contemplatief leven midden in de wereld weten te leiden. En blijft al mijn intenties aanbevelen.

Ik ben blij dat ik jullie kan zeggen dat ik, voordat ik de reeks van bezinningsdagen begon, in Loreto ben gaan bidden (met iedereen en onze Vader erbij). Ik heb onze Vader bij verscheidene gelegenheden kunnen vergezellen en heb gezien hoe hij onze Moeder wist te beminnen en het leven van zijn kinderen en het zijne in haar handen wist te leggen: het Werk, om de heilige Kerk meer en beter te dienen.

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 maart 2015



1. Heilige Johannes Paulus II, boodschap voor de veertigdagentijd, 7-1-2001.

2. Paus Franciscus, boodschap voor de veertigdagentijd van 2015, 4-10-2014.

3 Ibid.

4 1 Cor. 12, 26.

5. Paus Franciscus, boodschap voor de veertigdagentijd van 2015, 4-10-2014.

6 Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 19-3-1975 (“Over de paden van het geloof", uitg. Cristiandad, 2013, blz. 146-147).

7 Paus Franciscus, toespraak bij de algemene audiëntie, 7-1-2015.

8. Paus Franciscus, toespraak bij de algemene audiëntie, 28-1-2015.

9. Heilige Jozefmaria, Brief 9-1-1959, nr. 54.

10. Ibid., nr. 55.

11. Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 10-4-1969.

___________________________________________________________________________________________________________

Copyright © Prælatura Sanctæ Crucis et Operis Dei