Brief van de prelaat (juni 2015)

De prelaat vervolgt in zijn brief zijn beschouwingen over het gezin. “De aardse weg van de heilige Jozefmaria is vol van zijn liefdevolle aanmoediging om voortdurend de geest van heiligheid van het huisje van Nazareth te verspreiden.”

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Brief van de prelaat (juni 2015)

Mijn geliefde kinderen: moge Jezus jullie behoeden!

Ik ontvang jullie brieven, waarin jullie me veel “prachtige dingen” vertellen; ook schrijven jullie me over de bedevaarten, waar ik me iedere dag mee verenig. En bij het lezen van de concrete details bezoek ik samen met jullie de Moeder van God en onze Moeder.

Met grote vreugde en dankbaarheid jegens God en de Allerheiligste Maagd hebben wij in de vijf continenten voor de eerste keer de liturgische gedachtenis van de zalige Álvaro del Portillo gevierd. En over een paar weken zullen we met veel mensen over de hele wereld bij elkaar komen voor het feest van de heilige Jozefmaria. Sinds die 26e juni 1975, toen onze stichter door God werd geroepen om van Zijn glorie te genieten zijn er veertig jaar verlopen. Hoe veel goeds heeft hij sindsdien voor ons verkregen! Bovendien zijn zijn woorden in vervulling gegaan: ik zal jullie vanuit de hemel meer kunnen helpen.

Onder die verkregen weldaden wil ik blijven stilstaan bij een feit dat vanaf het begin in het Opus Dei heeft bestaan en dat iedereen, man en vrouw, nu moet doorgeven: de gezinssfeer van deze kleine familie, die in de schoot van de Kerk heel talrijk is. Dat wij in dit mariale jaar meer bidden voor het gezin is een oproep om sommige van de eigenschappen ervan, die de sfeer van het Heilig Huisgezin van Jezus, Maria en Jozef schitterend weergeven, te overwegen, want tot deze familie behoren wij, zoals onze geliefde Vader altijd zei als hij dacht aan de centra van het Werk en aan alle christelijke gezinnen.

De Heer heeft ons uitgekozen om de liefde van God en de vreugde van de dienstbaarheid te verspreiden en om ons bijzonder in te zetten om Hem te vinden binnen de muren van ieders huis of werkplek. Van daaruit zouden uit ons hart dag in dag uit veel akten van dankzegging moeten opstijgen. Uit de noodzakelijke zorg – uit liefde jegens God en de anderen – voor de materiële details en voor de sfeer in het huis, ontstaat een echte contemplatieve dialoog. Door fijngevoelig te zorgen voor deze kleine dingen bouwen wij de Kerk, het Opus Dei en het eigen huisgezin op.

De aardse weg van de heilige Jozefmaria is vol van zijn liefdevolle aanmoediging om voortdurend de geest van heiligheid van het huisje van Nazareth te verspreiden. Laten we eens stil staan bij enkele gelegenheden waarin onze Vader dit zelf in praktijk bracht. God heeft gewild dat hij de eerste lessen van christelijk leven, van de zorg om de anderen vol vreugde te dienen, leerde in het samenleven met zijn ouders, broertje en zusjes. De Grootouders zijn de eersten geweest die hem hebben geleerd zich als een christen te gedragen. Dit is een heel belangrijke basis voor de harmonische ontwikkeling zonder wanklanken van de menselijke en christelijke persoonlijkheid van de kinderen en jongeren.

Toen God hem het Opus Dei liet zien, heeft onze Vader dit alles voor ogen gehad. Daarna heeft hij in het eerste studentenhuis, Ferraz, met de hulp van de weinige zonen van hem die hij in die eerste jaren had, gewerkt om een vreugdevolle huiselijke sfeer te scheppen, met een totaal gebrek aan middelen. Zijn droom was dat het Werk over de hele wereld verspreid zou worden met die zelfde gezinssfeer, die wij overal moeten vestigen.

Later merkte hij op tijdens de bouw van de centrale zetel van het Opus Dei – die tot stand kwam dankzij de bijzonder inzet van don Álvaro – dat deze muren van steen lijken, maar van liefde zijn. Want het gebed, het offer, het werk en de moeite om die gebouwen goed te voltooien was overvloedig, ook met het oog op de mensen die er in de toekomst zouden komen. Zijn voorbeeld en zijn woorden hierover waren de beste leerschool voor iedereen en in het bijzonder voor de vrouwen van het Werk die zich mettertijd zouden bezighouden met de huishoudelijke zorg van de centra.

Onze Vader doelde op het grote sociale belang van die huishoudelijke taken, omdat deze een aanzienlijke bovennatuurlijke factor vormen voor het apostolaatswerk van het Opus Dei. Al onze apostolaatswerken zouden hun doeltreffendheid missen als de huishouding van onze centra niet geleid zou worden door mijn dochters, met die wetenschappelijke, bovennatuurlijke, vreugdevolle, kunstzinnige aanpak die hun eigen is en waarbij ze beseffen dat ze God dienen en dat God vol welbehagen en liefde naar ze kijkt.[1] Onze dank gaat ook uit naar Grootmoeder en tante Carmen, want hun medewerking is van doorslaggevende betekenis geweest toen ze de eerste vrouwen van het Opus Dei hebben geholpen. Als een vonkje dat alles in vuur en vlam zet heeft deze manier van doen sindsdien talloze huisgezinnen in de vijf continenten aangestoken.

Ik waag het te beweren dat de droevige crisis waaronder de samenleving nu lijdt voor een groot deel in de verwaarlozing van het gezinsleven wortelt. Als de vader, de moeder en de kinderen beter voor hun huis zouden zorgen door zich met vreugde voor de verschillende taken verantwoordelijk te maken, dan zou de menselijke kwaliteit daar groeien. De oprechte liefde die Christus ons is komen brengen zou uitgedragen worden en veel oorzaken van conflicten zouden vermeden worden.

Niemand mag denken dat hij of zij ontslagen is van de plicht hieraan mee te werken: deze inspanning rust op iedereen. De vaders moeten, ook al hebben ze het druk met hun beroep, zich ook voor dit aspect dat zo’n grote steun is voor hun gezinsleden, verantwoordelijk voelen. Ze zouden nooit moeten vergeten – heeft de heilige Jozefmaria geschreven – dat het geheim van het huwelijksgeluk te vinden is in het alledaagse en niet in dromerijen. Het ligt in de verborgen blijdschap die het thuiskomen geeft; in de liefdevolle omgang met de kinderen; in het dagelijkse werk, waarbij het hele gezin helpt; in het goede humeur, tegenover moeilijkheden, die in sportieve geest aangepakt moeten worden; in een goed gebruik van de verworvenheden, die de moderne techniek biedt om de woning prettiger en het leven gemakkelijker te maken, en die daardoor een bredere ontwikkeling mogelijk maken.[2]

Ook de dochters en zonen moeten als ze ouder worden hun zorg voor het huis serieus opvatten. Op deze manier leren ze voor de andere gezinsleden te zorgen, worden ze volwassener door te delen in de offers van het gezin en krijgen ze steeds meer waardering voor de gaven ervan.[3] Van de andere kant schittert de broederlijkheid in het gezin op een bijzondere manier wanneer wij zien dat het broertje of zusje dat het zwakst, ziek of gehandicapt is, wordt omringd met zorg, geduld en genegenheid. Er zijn heel veel broers en zussen in de hele wereld die dit doen en misschien waarderen wij hun edelmoedigheid niet voldoende.[4]

Ik kan niet nalaten, God te danken voor de inspanning die mijn dochters en zonen zich getroosten in de zorg voor de zieken. Het hangt van iedereen af of de materiële details, die dan niet meer slechts materieel zijn, omgezet kunnen worden in gebed. Het moet iets “natuurlijks” worden met Jezus te zijn, Jezus te zien in de mensen, in degenen die lijden; en dit voortdurend, met een sterke band – zoals onze Vader heeft gezegd – tussen het bovennatuurlijke en het natuurlijke, in eenheid van leven.

Laten we dagelijks blijven proberen in ieder centrum, in ieder huisgezin, een voortzetting te zien van het huis van Nazareth, steun en stut voor duizenden zielen; zelfs wanneer wij vermoeid zijn. Misschien kunnen we per vergissing door het idee overvallen worden: altijd hetzelfde, Heer… Maar het gaat niet om hetzelfde. Het is dat van altijd, maar met meer liefde.

Laten we de Heer toevertrouwen: Jezus, zonder U kunnen en willen wij onze dagen niet doorbrengen. Wij willen niets liever dan leven volgens Uw dertig jaar in Nazareth; wij willen net zo werken als onze Vader in de huishoudelijke zorg voor het eerste studentenhuis. We moeten het dringende verlangen voelen om een bovennatuurlijke en menselijke toon te geven aan onze toewijding aan elk van deze taken waaruit die zorg bestaat.

We kunnen de mensen zelfs met dat wat ogenschijnlijk onbelangrijk lijkt een heel groot goed bewijzen. Op de eerste plaats, omdat de Heer op elk moment heel dichtbij is: Hij is met ons en wij moeten met Hem zijn. En we mogen ook niet vergeten dat de volmaaktheid waarmee wij de verplichtingen van deze dagelijkse diensten uitvoeren door de Gemeenschap der Heiligen invloed heeft op de Kerk en het Werk, nu en in de toekomst.

Laten we ons vol vreugde en veelvuldig naar Nazareth verplaatsen, naar de plaats waar Jezus, Maria en Jozef hebben geleefd. Tussen deze muren, in de vriendschappen met de mensen van dat dorp, in de gesprekken, werden de hemel en de aarde heel sterk met elkaar verbonden. Deze band moeten ook wij overal waar we wonen en werken scheppen. Alles moet ons aanzetten tot een intense dialoog met de Heer en een impuls zijn om – met iedere taak – eraan mee te werken dat de anderen met vrede en vreugde voortgaan over de paden van het dagelijks bestaan.

Er zijn niet weinig mannen en vrouwen die bij het zien van het werk van de huishoudelijke dienst of van de vrede die gewoonlijk in de gezinnen van de gelovigen van het Werk heerst, denken en het ook zo zeggen: hier is God. Niets is reëler. Laten we altijd het besef levend houden dat God op onze hernieuwde verantwoordelijkheid rekent, ook op de momenten waarin we een beetje dor of zelfs uitgeput zijn. Laten we dan herhalen: Heer, ik offer U deze vermoeidheid op, want ik wil meer op U steunen en de anderen beter dienen.

Jezus, Maria en Jozef wisten hun diverse bezigheden, tot de kleinste toe, goed te benutten met een liefde die aan die arme vertrekken waarin ze woonden de smaak van een beminnelijk, vreugdevol huisgezin gaf; arm, maar rijk door de intense bovennatuurlijke en menselijke capaciteit van die drie personen. Zo moeten wij handelen, met een gevoel van verantwoordelijkheid en dan zullen de vierentwintig uren van het etmaal, die elk moment in de aanwezigheid van God worden beleefd, de aarde dicht bij de hemel en de hemel op aarde brengen.

Ik ga jullie niet herinneren aan de andere feesten van de junimaand: Sacramentsdag, het Heilig Hartfeest, het Onbevlekt hart van Maria… Bereidt ze heel verenigd met de heilige Jozefmaria voor. Laten we blijven bidden voor de Paus en zijn medewerkers; het komende Hoogfeest van sint Petrus en Paulus biedt ons een goed moment om dit gebed intenser te maken. En blijft heel verenigd met mijn intenties. Ik ben – met de hulp van God – aan jullie zijde.

Met grote vreugde denk ik terug aan de dagen rond de recente priesterwijdingen: het waren dagen van een intense eenheid en alle betrokkenen hebben unaniem, met eigen woorden, gezegd: quam bonum et quam iucúndum habitáre fratres in unum![5] Dat wil zeggen: hoe goed is het broeders te wezen en samen te zijn!

Met alle genegenheid zegent jullie

jullie Vader

+ Javier

Rome, 1 juni 2015.



[1] Heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 25-5-1974.

[2] Heilige Jozefmaria, Gesprekken, nr. 91.

[3] Paus Franciscus, toespraak in de algemene audiëntie, 11-2- 2015.

[4] Paus Franciscus, toespraak in de algemene audiëntie, 18-2- 2015.

[5] Ps. 132 [133], 1.