Brief van de prelaat (juli 2010)

Van de arbeid een gebed tot God maken: dat is de kernboodschap die de vorming in het Opus Dei in herinnering wil brengen bij alle christenen. In zijn brief van de maand juli gaat de prelaat hier dieper op in.

Pastorale brieven en berichten

Mijn beminde kinderen: Jezus beware mij mijn dochters en zonen!

Het is vijfendertig jaar geleden dat God onze Vader op 25 juli 1975 heeft geroepen om voor altijd te genieten van zijn aanwezigheid in de hemel.Net zoals bij vorige gelegenheden hebben ontelbare mensen in de hele wereld deelgenomen aan de Missen ter ere van de heilige Jozefmaria bij gelegenheid van zijn liturgische feestdag. Uit alle continenten is een intense dankzegging naar de Heer opgestegen omdat Hij aan de wereld en de Kerk een herder als onze heilige Stichter heeft gegeven, die voorbeeld is van christelijk leven en krachtige voorspreker in al onze geestelijke en materiële noden.

Het feest dat we net gevierd hebben, biedt bovendien de gelegenheid om met diepgang de boodschap te beschouwen, die de heilige Jozefmaria door Gods wil verkondigde onder alle mensen: wij kunnen en moeten met de hulp van de genade de heiligheid bereiken – dat wil zeggen de volmaaktheid van de liefde, de volledige vereniging met God – met de trouwe en totale vervulling van het beroepswerk en temidden van de andere gewone omstandigheden van het leven.

Laten wij ons verdiepen in de kern van dit onderricht: de noodzaak zich in te spannen om het werk – ieder werk, handarbeid of intellectuele arbeid – om te vormen in waarachtig gebed. Het Evangelie stelt heel duidelijk de noodzaak altijd te bidden en daarin niet te versagen [Lk 18, 1] en de heilige Paulus echoot dit onderricht, en voegt er aan toe: sin intermissione orate [1 Tes 5, 17], bidt zonder ophouden. De aanbeveling heeft de kracht van een bevel. Maar dit is onuitvoerbaar als we zouden menen dat we voortdurend mondelinge of inwendige gebeden moeten zeggen; iets onmogelijks in onze aardse omstandigheden. Onze activiteiten – met familie, in het beroep, op sociaal of sportief gebied, enz. – vereisen vaak de volledige aandacht van ons geheugen en onze intelligentie, en een vastberaden inzet van onze wil. En dan moeten we nog de nodige uren aan slaap besteden. Dit doet me denken aan de grote vreugde van de heilige Jozefmaria, die, nadat hij jarenlang had onderwezen dat zelfs de slaap omgevormd kan worden tot gebed, een tekst van heilige Hiëronymus las waarin dezelfde gedachte te vinden is [Vgl. Heilige Hiëronymus, Traktaat over de Psalmen, Commentaar op Psalm 1 (CCL 78, 5-6)].

Maar wij moeten deze aandrang van de Meester in zijn volle omvang overwegen. Hij nodigt ons uit ons menselijk bestaan in al haar dimensies nieuwe kracht in te blazen om haar om te vormen in een smeekbede: een ononderbroken gebed, zoals het kloppen van het hart[Heilige Jozefmaria, Als Christus nu langskomt, n. 8], ook al is dat vaak zonder woorden. Zo heeft de heilige Jozefmaria het aan zijn dochters en zonen geleerd, en aan alle mensen die zich volgens de geest van het Opus Dei willen heiligen. Regelmatig zei hij: het wapen van het Opus Dei is niet de arbeid, maar het gebed. Daarom vormen wij het werk om in gebed en hebben we een contemplatieve ziel [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 23-4-1959].

Het werk omvormen in gebed. Deze dagelijkse inspanning om ons in de meest uiteenlopende omstandigheden van ons bestaan als contemplatieve vrouwen en mannen te gedragen, toont ons het verheven doel, dat – net als de heiligheid, wees daarvan overtuigd – haalbaar wordt met de hulp van de genade. Er moet een spiritualiteit beleefd worden die de gelovigen helpt om zich te heiligen door middel van hun werk [Benedictus XVI, Homilie, 19-3-2006], verklaarde de Paus met betrekking tot de persoon van sint Jozef. Alleen door het gewone werk te verbinden met het verlangen naar heiligheid, is het voor het leeuwendeel van de christenen mogelijk om daadwerkelijk te streven naar de volheid van het christelijk leven.

Ik herinner me de dankzegginggebeden die opwelden in het hart van onze Vader als hij de brieven van zijn dochters en zonen las. Hij was zeer ontroerd toen een boer, lid van het Werk, hem schreef dat hij vroeg opstond, en de Heer al bad dat onze Vader uit zou rusten tijdens zijn slaap. En als hij later met de tractor het land omploegde, bad hij Memorares en andere gebeden. Onze Stichter genoot bij de ervaring van deze realiteit van een contemplatief leven tijdens de werkzaamheden op het land.

In de apostolische brief die de dienaar Gods Johannes Paulus II schreef aan het begin van het nieuwe millennium met een uitnodiging tot heiligheid, drukte hij zich als volgt uit: “Zoals het Concilie zelf heeft uitgelegd, moet dit ideaal van volmaaktheid niet verkeerd worden begrepen alsof het een soort van buitengewoon bestaan behelst, slechts mogelijk voor een paar ‘ongewone helden’ van heiligheid. De wegen van heiligheid zijn talrijk, overeenkomstig de roeping van ieder afzonderlijk. (…) Het moment is daar om van ganser harte opnieuw aan iedereen deze ‘hoge standaard’ van het gewone christelijke leven voor te stellen: het hele leven van de christelijke gemeenschap en van de christelijke gezinnen moeten in deze richting wijzen” [Johannes Paulus II, Apostolische brief Novo Millennio ineunte, 6-1-2001, n.31].

Onze Vader herhaalde deze leer elke keer weer door te stellen dat de contemplatie niet voor uitzonderlijke gevallen is. Sommige mensen – zei hij op beeldende wijze zodat het ingeprent zou blijven bij zijn toehoorders – met rudimentaire kennis van religie, denken dat contemplatieve gelovigen zich de hele dag in extase bevinden. Dat is erg onnozel. De monniken in de abdij zijn de hele dag met honderden klussen in de weer: ze maken het huis schoon en wijden zich aan taken waarmee ze de kost verdienen. Contemplatieve religieuzen die van het Werk houden, schrijven me vaak dat zij veel voor ons bidden. Ze begrijpen wat veel mensen niet begrijpen: ons seculiere leven als contemplatieven midden in de wereld, temidden van de wereldlijke activiteiten. Onze cel is op straat: dát is onze opsluiting. Waar wordt het zout opgesloten? Wij moeten ervoor zorgen dat niets smakeloos blijft. Daarom moet onze afzondering bestaan uit alle dingen van deze wereld [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 30-10-1964].

Zoals het lichaam lucht nodig heeft om in te ademen en de bloedsomloop om in leven te blijven, zo heeft de ziel het nodig om in contact te blijven met God gedurende de vierentwintig uren van een dag. De authentieke vroomheid zet ertoe aan om alles op God te betrekken: het werk en de rust, de vreugde en het verdriet, de successen en de mislukkingen, de slaap en het waken. Zoals don Alvaro schreef in 1984: “tussen de aardse bezigheden en het geestelijk leven, tussen het werk en het gebed moet niet alleen een min of meer geslaagde ‘wapenstilstand’ bestaan, maar een volledige eenheid, een versmelting zonder reststoffen. Het werk voedt het gebed en het gebed doordrenkt zich met het werk” [Don Alvaro del Portillo, Il lavoro si transformi in orazione, artikel gepubliceerd in het tijdschrift “Il Sabato”, 7-12-1984 (“Rendere amabile la verità”, Libreria Editrice Vaticana, Rome 1995, blz. 649)].

Om dit doel te bereiken, is – behalve de hulp van de genade – een constante persoonlijke inspanning nodig die zich dikwijls in details uit: een schietgebed of een kort mondeling gebed bidden terwijl wij ons verplaatsen of pauzeren; een tedere blik richten op een afbeelding van het kruis of van de allerheiligste Maagd die wij op een discrete plaats op onze werkplek hebben geplaatst, en dergelijke. Dit alles is nodig om in onze ziel een grondhouding van gerichtheid op de Heer in stand te houden, die wij dagelijks proberen te bevorderen in de Mis en de tijden die wij speciaal wijden aan meditatie. Ook als we geconcentreerd bezig zijn, omdat de geest zich helemaal verdiept in een taak, blijft de ziel toch gericht op de Heer en onderhoudt zij een dialoog met Hem die niet uit woorden bestaat, zelfs niet uit bewuste gedachten, maar uit gevoelens van genegenheid, verlangens om alles, ja zelfs het allerkleinste, uit Liefde te doen en op te dragen.

Wanneer we ons op deze wijze inspannen, zal de beroepsarbeid veranderen in een sportschool waarin de meest uiteenlopende menselijke en bovennatuurlijke deugden worden beoefend. De vlijt, de orde, het benutten van de tijd, de sterkte om het werk te voltooien, de zorg voor de kleine dingen… en zo veel details in de aandacht voor de ander, die een blijk vormen van oprechte en fijngevoelige naastenliefde.

Weest ervan overtuigd dat het niet moeilijk is het werk om te zetten in een biddend gesprek. We hoeven het alleen maar op te dragen en de handen uit de mouwen te steken en God zal het horen en ons bemoedigen. We zullen ons de stijl van contemplatieve zielen eigen maken, te midden van het dagelijks werk! Omdat we doordrongen zijn van de zekerheid, dat Hij naar ons kijkt en ons een nieuwe overwinning vraagt: dat kleine offer, die glimlach voor iemand die ons lastig valt, het beginnen met het minst aangename maar meest urgente karwei, het scheppen van orde tot in de details, het met volharding vervullen van de plicht, ook al zou het gemakkelijk zijn die te verwaarlozen, het niet uitstellen tot morgen, wat vandaag nog gedaan kan worden: alles om Hem te behagen, God, onze Vader. En misschien hebt u op tafel of op een verscholen plaats die minder de aandacht trekt, maar die u dient als de wekker van de contemplatieve geest, een kruisbeeld, als een handleiding voor ziel en geest waaruit u lessen van dienstbaarheid haalt [H. Jozefmaria, Vrienden van God, n. 67].

Met dezelfde kracht waarmee hij ons aanmoedigde om het werk in gebed om te vormen, benadrukte onze Vader de noodzaak de tijden die wij exclusief aan de Heer wijden niet te verwaarlozen: de veelvuldige Mis en Communie, de momenten van gebed, het bidden van de Rozenkrans en andere vroomheidoefeningen die een lange traditie kennen in de Kerk. En dit met meer zorg en aandacht naarmate de moeilijkheden groter zijn door een strakke dagplanning, vermoeidheid of innerlijke droogte die vroeger of later iedereen in zijn leven meemaakt. “Deze oefeningen – memoreerde don Alvaro – moeten niet opgevat worden als een werkonderbreking of als een interval in het verloop van de dag. Als wij bidden, verlaten wij de ‘wereldse’ zaken niet om in ‘heilige’ activiteiten op te gaan. Integendeel, het gebed is het meest intense moment van een houding die de christen begeleidt bij zijn activiteiten. Het vormt de hechte band tussen het werk dat net werd verricht en dat we vervolgens weer oppakken. Juist het werk is de materie om het vuur van het innerlijke en mondelinge gebed te voeden, en de nieuwe drijfveer voor aanbidding, dankzegging, en een vertrouwvolle overgave aan God” [Don Alvaro del Portillo, op. cit., blz. 650-651].

Over enkele dagen vertrek ik naar Ecuador, Peru en Brazilië, om met mijn dochters en zonen te zijn en hun apostolaat aan te moedigen. Ik vraag jullie om zoals altijd mij te vergezellen op deze reis met jullie gebed, door het opdragen van jullie werk en voor wie op vakantie is: jullie ontspanning. Verzorg jullie omgang met God ook in deze dagen, want zoals onze Vader ons heeft geleerd: ik heb rust altijd opgevat als een tijd waarin we ons losmaken van onze dagelijkse werkzaamheden, nooit als nietsdoen.

Rust betekent nieuwe krachten opdoen, je idealen opfrissen en plannen maken… Kortom: iets anders doen om daarna met frisse moed tot je normale bezigheden terug te keren [H. Jozefmaria, De Voor, n. 514].

In deze maand valt ook de vijfenzeventigste verjaardag van het moment dat onze zeer geliefde don Alvaro beantwoordde aan de Heer: “Hier ben ik!”. Ik vertrouw aan hem jullie en mijn trouw toe, opdat ze elke dag vollediger is en jullie mij steunen in mijn intenties.

Met alle genegenheid zegent jullie,

jullie Vader

+ Javier

Pamplona, 1 juli 2010