Brief van de prelaat (augustus 2010)

Het Mariajaar binnen het Opus Dei en de Mariafeesten in de maand augustus, zijn voor bisschop Echevarria aanleiding om in zijn brief te schrijven over de Maagd Maria.

Pastorale brieven en berichten

Mijn beminde kinderen: Jezus beware mij mijn dochters en zonen!

Ik schrijf jullie bij terugkomst van mijn reis naar enkele landen van Zuid-Amerika. In Ecuador, Peru en Brazilië heb ik de gelegenheid gehad, behalve het genoegen een groot aantal van jullie zussen en broers en veel andere personen te ontmoeten, te kunnen bidden op diverse plaatsen waar Onze Lieve Vrouw wordt aangeroepen. Met de steun van ieder van jullie, heb ik geprobeerd te bidden met dezelfde vroomheid waarmee de heilige Jozefmaria bad bij de afbeeldingen van Onze Lieve Vrouw. Ik heb onze Moeder bedankt voor haar aanhoudend gebed voor de Kerk en voor het Werk en ik heb haar gevraagd ons rijkelijk te blijven zegenen. Ja, ik heb gesteund op jullie gebeden tot Maria, want in mijn ziel is een uitroep van onze Vader gegrift, die hij uitsprak in het heiligdom van Aparecida en daarna in São Paulo herhaalde: ik heb de heilige Maagd gezegd dat ik met veel geloof zou willen bidden. Al eerder, eerst in Ecuador, heb ik een geweldige les van de heilige Jozefmaria overwogen. Hij had veel last van hoogteziekte, die men daar “soroche” noemt, en moest zijn catechese bijna volledig stilleggen. In zijn persoonlijk leven groeide tijdens die dagen de devotie tot sint Jozef en het geestelijk kindschap echter verder: hij was daar vijftien dagen “op actieve wijze inactief”. In Peru zijn er veel herinneringen bij me opgekomen; onder andere een afbeelding van een scène die hij diep in zijn hart koesterde: de Maagd Maria en sint Jozef in aanbidding voor Jezus verborgen in het tabernakel. Met wat een liefde bleef hij voor dat altaar neergeknield!

Verlevendigen we onze blijken van liefde tot Maria in de maanden die ons van dit Mariajaar nog resten. Precies op 15 augustus, hoogfeest van Maria Tenhemelopneming, beginnen we het tweede deel van het Mariajaar. Laten we proberen dit met een hernieuwde kinderlijke geest te doen, in het ritme van het mariale leven van de heilige Jozefmaria. Als er iets is waarin ik wil dat jullie mij navolgen – zei hij ons ontelbare keren – is het in de liefde die ik voor Onze Lieve Vrouw heb [Heilige Jozefmaria, januari 1954]. En bij andere gelegenheden gaf hij aan: volg Jezus na, Hij is het model voor alles, ook voor de liefde jegens zijn Moeder [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 12-4-1974].

Nu wij halverwege de periode zijn die we – vanwege de tachtigste verjaardag van het begin van apostolaat van het Werk onder vrouwen – in het bijzonder aan Onze Lieve Vrouw hebben toegewijd, kunnen wij de balans opmaken van de voorbije weken, om met hernieuwde inzet op onze weg voort te gaan. In het bijzonder op de feesten van Onze Lieve Vrouw moeten we onze blijken van liefde opvoeren. Verheffen we vaker ons hart tot haar om te vragen wat wij nodig hebben, te danken voor haar moederlijke en voortdurende zorg, en om de mensen die we in ons hart dragen bij haar aan te bevelen. Maar als wij proberen ons als kinderen te gedragen zal elke dag een geschikte gelegenheid zijn om onze liefde tot haar te uiten, zoals dat elke dag geldt voor degenen die werkelijk van elkaar houden [H. Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 291].

Het hoogfeest van 15 augustus is een uitnodiging om deze raad van onze Vader zorgvuldig uit te voeren. Gods buitengewone uitverkiezing vanaf de eeuwigheid om de Moeder van het Mensgeworden Woord te worden, bereikt zijn hoogtepunt wanneer zij luisterrijk met lichaam en ziel in de hemel wordt opgenomen. De Tenhemelopneming van Maria sluit de geschiedenis af die begon met haar Onbevlekte Ontvangenis, en nodigt ons uit om aandachtiger naar onze Moeder te kijken en met meer diepgang te overwegen hoe zij haar dagelijkse tocht door deze wereld doorbracht, tot ze de hemelse woning bereikte.

In het evangelie van de Mis van dit feest laat de Kerk ons de passage overwegen van het bezoek van Onze Lieve Vrouw aan haar nicht, de heilige Elisabeth. De kerkvaders en de kerkelijke schrijvers hebben deze episode altijd becommentarieerd als een beeld van wat het hele leven van Maria gekenmerkt heeft, gekenmerkt door haar snelle en vreugdevolle gehoorzaamheid aan wat de Heer haar te kennen gaf. Vanaf het fiat dat ze uitsprak bij de Aankondiging, tot dat andere fiat zonder woorden, aan de voet van het Kruis, is het leven van Maria samen te vatten als een volledige en ongeschonden trouw aan de allerbeminnelijkste wil van God.

Sint Lucas, de evangelist die ons het meeste over Maria gesproken heeft, vertelt tot in details over dit bezoek van de Maagd Maria aan de heilige Elisabeth. Deze scène is goed in ons geheugen gegrift, zoals zoveel andere uit het evangelie, omdat we ze elke dag beschouwen bij het overwegen van de geheimen van de rozenkrans. Laten we dat nu opnieuw doen.

In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabeth werd vervuld met de Heilige Geest en riep uit met luide stem: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken dat de Moeder van mijn Heer naar mij toekomt? Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is” [Lc 1, 39-45].

Op deze woorden van Elisabeth antwoordde Maria, eveneens geïnspireerd door de heilige Geest, met deze liefelijke woorden van dankbaarheid en niet te stuiten vreugde: het Magnificat. We kunnen niet blijven stilstaan bij de volheid van de rijkdom ervan; ik wil alleen maar een paar details van deze scène benadrukken waarover de heilige Jozefmaria diepgaand gemediteerd heeft.

De heilige Gabriël liet Maria weten dat Elisabeth een kind verwachtte als bewijs van de almacht van God. Hij vroeg, noch suggereerde haar dat ze haar ging bezoeken. Maar Onze Lieve Vrouw denkt dat haar nicht haar hulp nodig heeft en ook daarin ontdekt zij de wil van God. Onmiddellijk ging ze op weg naar het dorpje waar haar nicht op leeftijd verbleef. Opvallend is dit cum festinatione, gezwind, zoals sint Lucas heel opportuun beklemtoont. De reden ervan springt in het oog zoals de heilige Ambrosius al uitlegde: “De genade van de heilige Geest staat geen traagheid toe” [H. Ambrosius, Expositio Evangelii secundum Lucam, II, 19 (PL 15, 1560)]. Paus Benedictus XVI stelt, in navolging van deze kerkvader, dat de evangelist door dit te zeggen wil onderstrepen dat voor Maria het volgen van haar roeping, volgzaam aan de Geest van God die in haar de Menswording van het Woord heeft bewerkstelligd, betekent een nieuw pad inslaan en onmiddellijk een weg buitenshuis volgen, uitsluitend geleid door God [Benedictus XVI, Homilíe op het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming, 15-8-2009].

Het evangelie biedt ons de eerste les die we van onze Moeder leren, een les die constant in haar gedrag aanwezig is: als de liefde van God zich in onze ziel manifesteert, vloeit daar voor ons de plicht uit voort onmiddellijk, met een volledige edelmoedigheid, aan de genade, aan deze goddelijke ingevingen te beantwoorden, zonder stil te blijven staan bij wat tot uitstel of traagheid zou kunnen leiden. Als God bij ons is – en Hij heeft ons allemaal geroepen en roept ons bij onze naam opdat we Hem van heel dichtbij volgen – , dan moeten we alles opzij zetten wat het moeilijk kan maken Hem te volgen, met Hem mee te gaan. Ons hele leven moet getekend zijn door deze heilige spoed die – zoals de paus bevestigt – vereist is voor wie weet dat God altijd prioriteit heeft en er niets in ons leven kan zijn dat urgenter is [Ibid.].

Ik haal me een paar gebeurtenissen uit het leven van onze Vader voor de geest, die ons laten zien hoe onze stichter de drang voedde om God en Maria steeds meer lief te hebben. Naarmate de liefde tot onze Moeder, vanaf de eerste jaren van het Werk, zijn ziel steeds krachtiger beheerste, verhalen zijn biografen hoe hij zijn best deed om Onze Lieve Vrouw te groeten in de beeltenissen die hij tegenkwam op zijn tochten door de straten van Madrid. Bij een gelegenheid noteerde hij in zijn aantekeningen de volgende gebeurtenis: vanochtend keerde ik als een klein kind op mijn schreden terug om Onze Lieve Vrouwe te groeten in haar afbeelding aan de Atocha-straat, boven in de gevel van een huis dat de congregatie van de heilige Filippus daar heeft. Ik was vergeten haar te groeten. Welk kind laat de kans liggen om zijn Moeder te zeggen dat het van haar houdt? Maria, ik wil nooit een ex-kind worden [H. Jozefmaria, Apuntes intimos, n. 446 (3-12-1931). Cit. uit A.Vázquez de Prada, El Fundador del Opus Dei, vol. 1, p. 341].

Tegen het einde van zijn leven, toen hij zich al zwakker voelde, liep hij in Villa Tevere eens langs een relief van Onze Lieve Vrouw die het Kind in haar armen heeft. Hij wilde het kussen, wat niet gemakkelijk was omdat er een bank voor stond. Hij wilde echter niet nalaten dit gebaar te maken. Daarna nodigde hij ons uit om het volgende te overwegen. Hoewel het eigenlijk niets voorstelde – hij bedoelde de inspanning die hij had moeten doen – kunnen we ons afvragen hoe wij van onze kant uiting geven aan onze liefde, met inzet, tot God en de allerheiligste Maagd Maria, als antwoord op de grote uiting van liefde die besloten ligt in de Menswording. Ik speel jullie de vraag door. Welke concrete inspanning zijn we in de resterende maanden van het Mariajaar bereid te doen, om te beantwoorden aan de voorliefde die de Heer en zijn allerheiligste Moeder ons voortdurend tonen? Houden wij ervan meer van haar te gaan houden – en dit is geen redundantie? Zoeken we haar met het verlangen dat ze ons naar haar Zoon brengt?

Laten we een tweede detail van de scène van het Bezoek voor ogen nemen. Als Maria het Magnificat zingt als eerbetoon aan God, is de eerste beschouwing die daarna over haar lippen komt – zoals eerder bij de Aankondiging – het erkennen van haar nederigheid, in die zin dat ze haar geringheid tegenover God uit; een erkenning die een essentieel deel vormt van deze deugd. Hoe groot is de waarde van de nederigheid! “Quia respexit humilitatem...” Meer dan het geloof, de liefde en de smetteloze zuiverheid wordt in de jubelzang van onze Moeder in het huis van Zacharias de nederigheid bezongen: Want Hij heeft neergezien op mijn nederigheid. Zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen’ [H. Jozefmaria, De Weg, nr. 598].

De heilige Augustinus gaf aan dat “de woonstede van de liefde de nederigheid is” [H. Augustinus, De sancta virginitate, 51]. Alleen op basis van een diepe nederigheid wordt het terrein bereid waarop een oprechte liefde kan groeien. De buitengewone nederigheid van de Maagd Maria die op ieder moment wilde dat God in haar ziel werkte, zonder enige verdienste aan zichzelf toe te schrijven, bereikte dat de Heer zich met steeds meer liefde tot haar neigde, en haar van de ene volheid naar de andere volheid leidde, tot Hij haar ontving in de eeuwige glorie.

Mijn kinderen, laten we van deze goede Moeder leren om ons in de meest uiteenlopende omstandigheden zo te gedragen. Tot het laatste moment zullen we moeten strijden tegen de vijanden van onze heiliging; in het bijzonder tegen de eigenliefde, het belangrijkste obstakel voor onze vereniging met God. Maar laten we nog eens naar de heilige Jozefmaria luisteren. Bij gelegenheid, in antwoord op de vraag van iemand over hoe te strijden op dit punt van het geestelijk leven, drong hij aan: het is goed dat je tegen de hoogmoed wilt strijden. Maar, zonder profeet te zijn, kan ik je zeggen dat je de drang tot hoogmoed zult hebben tot het laatste moment van je leven. Vraag de Heer om je nederig te maken (...): quia respexit humilitatem ancillæ suæ (Lc 1, 48). God, onze Heer, keek naar haar omdat Hij de nederigheid van zijn dienares zag. Probeer daarom de Heer te dienen en Onze Lieve Vrouw te volgen in haar nederigheid. In het evangelie treffen we haar niet aan op de belangrijke momenten waarop haar Zoon zegeviert: we treffen haar wel aan aan de voet van het Kruis. Maar we treffen haar ook aan bij het eerste wonder: dat verricht de Heer omdat de allerheiligste Maagd Hem daarom bidt. Vraag het wonder dat Hij jou en mij nederig maakt [H. Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 21-10-1972].

De overweging van de grote voorrechten van de heilige Maagd laat ons steeds versteld staan: onze hemelse Moeder is zo bijzonder! We beschouwen haar in de scène van de Apocalyps, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van sterren. [Vgl. Ap. 12, 1] Toch weten wij allemaal dat Maria deze voorrechten niet verkreeg om haar van ons af te zonderen, maar integendeel, om haar dichterbij te hebben [Benedictus XVI, Toespraak tijdens de algemene audiëntie, 2-1-2008]. Vanuit de hemel volgt ze ieder van ons dan ook alsof wij haar enige kind zijn en ze zal altijd over ons waken opdat wij op een dag, verenigd met haar Zoon en alle engelen en heiligen, het eeuwige geluk mogen bezitten.

We zullen het haar op 15 augustus opnieuw in herinnering brengen, als we de toewijding van het Opus Dei aan haar allerzoetst en onbevlekt Hart hernieuwen. Laten we die dag heel verenigd zijn met de intenties van alle gelovigen van de Prelatuur – degenen op aarde en degenen die hun ziel al aan God hebben teruggegeven – in het bijzonder met die van onze Vader, heel verenigd met de toewijding die hij in 1951 in Loreto verrichtte en met de toewijding die ik in dit Mariajaar in naam van allen zal hernieuwen. Laten we onze dromen en projecten toevertrouwen aan de zorg van onze Moeder die – volgens een treffende uitdrukking van de heilige Thomas van Aquino – «totius Trinitatis nobilis triclinium» [H. Thomas van Aquino, Expositio de Ave Maria, hfst. 1] is, de plaats waar de Drie-eenheid graag verblijft. Want zoals de Paus in een recente audiëntie zei: vanwege de Menswording zijn de drie goddelijke Personen in geen enkel schepsel woonachtig zoals in Maria waar zij zoetheid en vreugde ervaren omdat ze leven in een ziel die vol van genade is. Door haar bemiddeling kunnen we iedere denkbare hulp verkrijgen. [Benedictus XVI, Toespraak tijdens de algemene audiëntie, 23-6-2010]

We zullen dit op de tweeëntwintigste van deze maand, feest van Maria Koningin, opnieuw voor haar herhalen, en ook op de daarop volgende dag, wanneer we deze bijzondere ervaring van onze Vader herdenken die hem een smaak, zoet als honing, achterliet op momenten dat hij dat in het bijzonder nodig had: adeamus cum fiducia al thronum gloriæ, ut misericordiam consequamur!

Laat ons gebed voor de heilige Vader, voor zijn hoogwaardige persoon – ook voor zijn rust in deze maanden – heel intens zijn, ook voor zijn intenties en alle projecten die hij, voor het welzijn van de zielen, in zijn hart draagt.

En help mij, met het oog op dit alles, bij mijn intenties.

Met alle liefde zegent jullie,

jullie Vader,

+ Javier

Pamplona, 1 augustus 2010