Toespraak van paus Johannes Paulus II tijdens de studiedagen over 'Novo Millennio Ineunte'

Paus Johannes Paulus II richt zich tot de gelovigen van de prelatuur bij gelegenheid van de studiedagen over de apostolische brief ‘Novo millennio ineunte’ (14-17 maart 2001). Sprekend over de uitdagingen van de Kerk voor het derde millennium, benadrukt de paus de eenheid van de “organische samenwerking” tussen priesters en leken van het Opus Dei.

Personele prelatuur
Opus Dei - Toespraak van paus Johannes Paulus II tijdens de studiedagen over 'Novo Millennio Ineunte'

Zaterdag 17 maart 2001

Geliefde broeders en zusters,

1. Van harte heet ik u allen welkom: priesters en leken, hier in Rome bijeengekomen om deel te nemen aan de dagen van reflectie over de apostolische brief Novo millennio ineunte en over de perspectieven die ik in dit document heb uiteengezet voor de toekomst van de evangelisatie. In het bijzonder verwelkom ik jullie prelaat, bisschop mgr. Javier Echevarría, die deze ontmoeting heeft bevorderd met het doel de dienst die de prelatuur verleent aan de particuliere kerken waarin haar gelovigen aanwezig zijn, kracht bij te zetten.

Jullie zijn hier als vertegenwoordigers van de gelederen uit wie de prelatuur op organische wijze is samengesteld, dat wil zeggen, uit priesters en lekengelovigen, mannen en vrouwen, met de eigen prelaat als hoofd. De hiërarchische aard van het Opus Dei, vastgelegd in de apostolische constitutie waarmee ik de prelatuur heb opgericht (vgl. apost. const. Ut sit, 28 november 1982), biedt de gelegenheid voor pastorale overwegingen die rijk zijn aan praktische toepassingen. Vooreerst wil ik benadrukken dat het behoren van de lekengelovigen tot zowel de eigen particuliere kerk als tot de prelatuur waarin zij geïncorporeerd zijn, de bijzondere taak van de prelatuur laat samenvloeien met de evangelisatie-inzet van iedere particuliere kerk, zoals dat voorzien was door het Tweede Vaticaans Concilie bij de instelling van de personele prelaturen.

Dit organisch samenkomen van priesters en leken is bij uitstek een van de terreinen, waarop een pastoraal tot bloei kan komen die wordt geïnspireerd door de “nieuwe dynamiek” (vgl. apostolische brief Novo millennio ineunte, 15) waartoe wij ons allen gestimuleerd voelen na het Grote Jubileum. In dit verband is het nodig te herinneren aan het belang van de “spiritualiteit van de gemeenschap” die door de apostolische brief wordt onderstreept (vgl. ibid., 42-43).

2. De leken zijn als gelovigen geroepen een missionair apostolaat uit te oefenen. Hun specifieke vaardigheden in de verschillende menselijke activiteiten zijn op de eerste plaats een hulpmiddel dat God hen heeft toevertrouwd opdat “de verkondiging van Christus de mensen bereikt, de gemeenschappen vormt en door het getuigenis diep inwerkt op de samenleving en de cultuur” (ibid., 29). De leken dienen gestimuleerd te worden op doeltreffende wijze hun eigen kennis in dienst te stellen van de “nieuwe grenzen” die zich aandienen als uitdagingen voor de reddende aanwezigheid van de Kerk in de wereld.

Hun directe getuigenis op al deze terreinen zal aantonen dat de hoogste menselijke waarden alleen in Christus hun volheid bereiken. Dankzij hun apostolische ijver, hun broederlijke vriendschap en hun naastenliefde zullen zij de relaties met hun medemensen weten om te zetten in een gelegenheid om de dorst naar waarheid op te wekken die de eerste voorwaarde is voor de reddende ontmoeting met Christus.

De priesters oefenen van hun kant een primaire en onvervangbare functie uit: de zielen te helpen, een voor een, opdat zij zich door middel van de sacramenten, de prediking en de geestelijke begeleiding openstellen voor de genade. Een spiritualiteit van gemeenschap zal derhalve de rol van ieder van de kerkelijke gelederen ten volle waarderen.

3. Geliefde broeders en zusters, ik spoor jullie aan in jullie werk het centrale punt van de jubileumervaring niet uit het oog te verliezen: de ontmoeting met Christus. Het Jubileum is een voortdurend, onvergetelijk aanschouwen geweest van het aangezicht van Christus, de eeuwige Zoon, God en Mens, gekruisigd en verrezen. Wij hebben Hem gezocht op de pelgrimage naar de Deur die voor de mens de weg naar de hemel opent. Wij hebben zijn zoetheid ondervonden in de allermenselijkste en goddelijke daad van vergeving voor de zondaar. Wij hebben Hem ontdekt als broeder van alle mensen, die opnieuw naar de eenheid zijn geleid door de gave van de reddende liefde. De dorst naar spiritualiteit die in onze maatschappij is opgekomen kan alleen gelest worden door Christus.

“Nee, wij zullen niet gered worden door een formule, maar door een Persoon en door de zekerheid die Hij ons geeft: Ik ben met u!” (apostolische brief Novo millennio ineunte, 29). Wij moeten aan de wereld, aan elke mens, de weg openstellen die naar Christus leidt. “Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken” (Psalm 27 [26], 8). Dit verlangen werd dikwijls uitgesproken door de zalige Josemaría, een mens die dorstte naar God en daarom een groot apostel. Hij schreef: “Jezus moet het doel van ons gebed zijn, de Liefde van ons hart, het onderwerp van ons gesprek en het voorbeeld van ons handelen” (De Weg, 271).

4. Het is het moment om de angst af te leggen en ons te storten op gedurfde apostolische doelen. Duc in altum! (Lc 5, 4): de uitnodiging van Christus spoort ons aan om naar het diepe te varen, om ambitieuze dromen te hebben van persoonlijke heiligheid en apostolische vruchtbaarheid. Het apostolaat is altijd het overvloeien van het innerlijk leven. Het bestaat ongetwijfeld ook uit handelen, maar handelen dat ondersteund wordt door de liefde. En de bron van de liefde bevindt zich altijd in het meest innerlijke van de persoon, waar men de stem van Christus beluistert die ons oproept met Hem naar open zee te varen. Dat ieder van jullie deze uitnodiging van Christus aanneemt en eraan beantwoordt met altijd nieuwe edelmoedigheid.

Tegelijk met deze wens vertrouw ik jullie weg van gebed, van werk en getuigenis toe aan de voorspraak van Maria en verleen ik jullie liefdevol mijn zegen.