Opus Dei vaart wel bij ophef rond ”Da Vinci Code”

AMSTERDAM - De rooms-katholieke lekenorganisatie Opus Dei heeft sinds de eerste aankondiging van de verfilming van het boek ”De Da Vinci Code” ”wijn van azijn” proberen te maken, zegt woordvoerder Eugen Graas van de Nederlandse afdeling Opus Dei. In het boek en in de film wordt Opus Dei afgeschilderd als een misdadige organisatie: rijk, geheimzinnig en machtig.

De Da Vinci Code

Dan Brown, de Amerikaanse auteur van “De Da Vinci Code”, fantaseert in zijn boek dat Jezus een kind verwekt zou hebben bij Maria Magdalena. Zijn nakomelingen worden al eeuwenlang beschermd door een geheime organisatie, de Priorij van Sion, die in een strijd is verwikkeld met een duistere, gewelddadige rooms-katholieke groep Opus Dei.

In het boek en in de film moet Opus Dei het ontgelden. De organisatie wordt verweten in het geheim allerlei sleutelposities in de kerk te bezetten en haar invloed zelfs aan te wenden in benoemingen van pausen. In de film maakt de monnik Silas zich schuldig aan moorden.

“Ik vond het te absurd om me aangesproken of beledigd te voelen. Dat neemt niet weg dat het op zich een belediging van Christus en de kerk is.”

Opus Dei werd gesticht door Josemaría Escrivá. Hij werd in 1902 geboren in Spanje en ontving in 1925 de priesterwijding. In de Spaanse hoofdstad zei hij in 1928 van God de opdracht gekregen te hebben met iets nieuws te beginnen, iets waarom hij al jaren had gebeden. Escrivá stichtte Opus Dei (Werk van God). Sedertdien zette hij zich in om gestalte te geven aan wat God van hem vroeg.

Escrivá overleed op 26 juni 1975 in Rome. Duizenden personen, onder wie talrijke bisschoppen uit verschillende landen -in totaal een derde van het wereldepiscopaat- verzochten de Heilige Stoel zijn zaligverklaringsproces te openen. Er werden diverse wonderen aan de voorspraak van Escrivá toegeschreven, ook medisch onverklaarbare genezingen. Na een grondig onderzoek naar het leven en werk van Escrivá -een proces van bijna tien jaar- verklaarde de paus hem op 17 mei 1992 zalig. In 2002 volgde de heiligverklaring.

Prelatuur

De volledige naam van Opus Dei is: Prelatuur van het Heilig Kruis en Opus Dei. De organisatie is een ”personele prelatuur”, dat wil zeggen een jurisdictionele eenheid binnen de hiërarchische structuur van de RK-Kerk, met aan het hoofd een prelaat die verantwoording verschuldigd is aan de congregatie voor de bisschoppen. De personele prelaturen worden door de Heilige Stoel opgericht ter verwezenlijking van bijzondere pastorale en organisatorische doelen. Het woord ”personele” geeft aan dat het gaat om personen, terwijl bijvoorbeeld bisdommen en parochies geografisch bepaald worden.

De grote meerderheid van de leden van Opus Dei is getrouwd. Sommige leden trouwen niet. Een klein aantal van hen is priester. Opus Dei kent geen geloftes: binnen de instelling nemen de leden verplichtingen op zich met louter hun doopbelofte als onderpand. Op dit moment maken rond de 85.000 leden deel uit van de prelatuur, onder wie ruim 1800 priesters. In Nederland zijn er ongeveer 150 leden.

Vorige maand verscheen bij uitgeverij Kok in Kampen een boekje van drs. Ria Bongaarts over Opus Dei. Het streven naar heiligheid in de omstandigheden van het gewone leven is volgens haar kenmerkend voor deze beweging. Opus Dei behelst de roeping om anderen, in de gewone omstandigheden van het leven, dichter bij Christus te brengen. „Dit gebeurt in de eerste plaats door zich als een christen te gedragen en over Christus te spreken in het gezin, op het werk, in de vrije tijd en bij sociale contacten.” Leden van Opus Dei volgen een goddelijke roeping die gericht moet zijn op overgave van het hele leven.

Vaticaanwatcher John L. Allen komt tot de conclusie dat die veronderstelde macht en rijkdom van het Opus Dei meer op mythes dan op realiteit berusten.

De leefwijze blijkt overigens wel orthodox-rooms. Het leefplan impliceert volgens Bongaarts een veelvuldig ontvangen van de sacramenten (waaronder de mis), het dagelijks ontvangen van de communie, een wekelijkse biecht, het bidden van de rozenkrans en gewetensonderzoek. „Velen hebben uit ervaring geleerd dat de heilige Josemaría Escrivá ook een krachtig voorspreker is bij God.”

De schrijfster besteedt een hoofdstuk aan de beeldvorming van Opus Dei. Zij bepreekt onder andere enkele aantijgingen die tegen de organisatie worden gemaakt, zoals het verwijt van geheimzinnigheid en de dubbele agenda die leden zouden hebben. Opus Dei groeit nog steeds. In mei dit jaar werden er 34 leden van de prelatuur priester gewijd in de basiliek van Sante Eugenio in Rome.

Karikaturaal

Volgens Eugen Graas is het beeld van het Opus Dei in ”De Da Vinci Code” zo karikaturaal, dat een kritische lezer (of kijker) er vrij snel doorheen prikt. „Ik vind het te absurd om me aangesproken of beledigd te voelen. Dat neemt niet weg dat het op zich een belediging van Christus en de kerk is.

Het was minder erg geweest indien de schrijver Dan Brown erkend had dat het om pure fictie ging, maar tot kort voor de première van de film heeft hij volgehouden dat het verhaal op historische feiten beruste. Ik bestempel dit als cultureel parasitisme: je trekt de integriteit van Christus en kerkelijke instellingen, zoals Opus Dei, in twijfel, enkel en alleen om er zelf financieel voordeel uit te slaan.”

Hoe komt het dat de verwijten van geheimzinnigheid, macht en rijkdom als het gaat om Opus Dei, toch de ronde blijven doen?

"Je kunt Opus Dei alleen begrijpen als je onderkent dat het een godsdienstige realiteit is. Anders verval je al gauw in termen van politieke invloed. De bekende Vaticaanwatcher, John L. Allen komt in zijn recente boek ”Opus Dei, secrets and power inside the Catholic Church” tot de conclusie dat die veronderstelde macht en rijkdom meer op mythes dan op realiteit berusten.

Het lastige van mythes is dat ze blijven voortleven zolang ze niet met de realiteit worden geconfronteerd. Mijn ervaring is dat, wanneer iemand Opus Dei onbevooroordeeld benadert, hij vrij snel ontdekt dat de verwijten geen grond hebben. We hebben van deze mediabelangstelling gebruikgemaakt om de waarheid over het christendom en over Opus Dei aan te tonen.”

  • K. van der Zwaag // Reformatorisch Dagblad