Jezus wordt in de tempel opgedragen

Teksten van de heilige Jozefmaria over het vierde blijde geheim van de rozenkrans. “Een aantal historische gebeurtenissen maakt de heropleving van het rozenkransgebed nog actueler. Ten eerste de noodzaak om God het geschenk van vrede af te smeken” (Johannes Paulus II, "Rosarium Virginis Mariae", 6).

Geheimen van de Rozenkrans
Opus Dei - Jezus wordt in de tempel opgedragen

“Toen de tijd aanbrak, waarop zij volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zij het kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen, volgens het voorschrift van de Wet des Heren: Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, en om volgens de bepaling van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven." Lc. 2, 22-24.

TEKSTEN VAN DE HEILIGE JOZEFMARIA:

Nu de tijd aangebroken is, waarop volgens de Wet van Mozes, de Moeder gereinigd dient te worden, moeten zij met het Kind naar Jeruzalem gaan om Het aan de Heer op te dragen (Lc. 2, 22). En deze keer zul jij het zijn, mijn vriend, die de kooi met duiven draagt. –Besef je het? Zij –de Onbevlekte!– onderwerpt zich aan de Wet, alsof Zij onrein is.

Zul jij, dwaas kind, uit dit voorbeeld leren dat je de Heilige Wet van God moet vervullen, ook al kost het je nog zoveel offers? Zuivering! Jij en ik, wij hebben zuivering nodig! Genoegdoening moeten we geven, en meer dan alleen maar genoegdoening: Liefde. –Een liefde die als een gloeiend ijzer het vuil uit onze ziel wegbrandt; die als een vuur met goddelijke vlammen ons koude hart doet ontgloeien.

Een rechtvaardig en godvrezend man is, door de Heilige Geest geleid, naar de tempel gekomen. Hem was geopenbaard, dat hij niet zou sterven voordat bij de Christus zou zien. Hij neemt de Messias in zijn armen en zegt Hem: Nú kunt Gij, Heer, uw dienaar naar uw woord in vrede laten gaan, want mijn ogen hebben de Redder aanschouwd (Lc. 2, 25–30). De Heilige Rozenkrans, 4e blijde geheim.

Het katholieke geloof ziet in Maria een teken bij uitstek van de liefde van God. Hij noemt ons nu al zijn vrienden; zijn genade werkt in ons, geneest ons van de zonde en geeft ons de kracht om het gelaat van Christus enigszins te weerspiegelen, ondanks de zwakheid die eigen is aan wie nog stof en ellende is. We zijn niet langer alleen drenkelingen die God redding beloofd heeft, want die redding is al in ons werkzaam. Onze relatie met God is niet die van een blinde die hunkert naar het licht en zucht onder de angsten van de duisternis; het is die van een kind dat weet dat zijn Vader van hem houdt. Christus Komt Langs, nr. 142.

De ervaring van onze zonden mag ons daarom niet aan onze opdracht doen twijfelen. Zeker, onze zonden kunnen het moeilijker maken om Christus te herkennen. Daarom moeten we de confrontatie met onze persoonlijke ellende aangaan en zuivering zoeken, maar in het besef dat God ons in dit leven niet de absolute overwinning over het kwaad heeft beloofd, maar dat Hij ons vraagt om te strijden. Sufficit tibi gratia mea, Mijn genade is u genoeg,[2 Kor 12, 9) was het antwoord van God toen Paulus Hem vroeg bevrijd te worden van de angel die hem vernederde. Christus Komt Langs, nr. 114.

Maria, onze Moeder, auxilium christianorum, refugium peccatorum, hulp van de christenen, toevlucht van de zondaars, spreek voor ons ten beste bij uw Zoon. Bidt dat Hij ons de heilige Geest mag zenden en dat die het besluit in ons hart wakker maakt om moedig en vastberaden onze weg vervolgen. Bidt dat Hij in het diepst van onze ziel het roepen mag laten klinken dat een van de eerste christenen bij zijn marteldood met vrede vervulde: Veni ad Patrem [H. Ignatius van Antiochië, Epistula ad Romanos, 7, 2 (PG 5, 694)]. Kom, kom terug bij je Vader die op je wacht! Christus Komt Langs, nr. 66.

De christelijke roeping is een roeping tot offer, tot boete en verzoening. We moeten eerherstel brengen voor onze eigen zonden — hoe vaak hebben we onze blik niet afgewend om God niet te hoeven zien! — en voor die van alle mensen. We moeten Christus van dichtbij volgen: altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, zijn zelfverloochening, zijn lijden aan het kruis, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden (2 Kor 4, 10). Onze weg is die van het offer, en in deze zelfverloochening zullen wij gaudium cum pace, vreugde en vrede vinden. Christus Komt Langs, nr. 9.