Jezus verrijst uit de doden

“De beschouwing van Christus’ gelaat mag niet halt houden bij het beeld van de gekruisigde. Hij is de Verrezene!” (Johannes Paulus II, "Rosarium Virginis Mariae", 23). Teksten van de heilige Jozefmaria over het eerste glorievolle geheim. Bekijk de video waarop hij spreekt over de rozenkrans.

Geheimen van de Rozenkrans

Op de eerste dag van de week echter gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: 'Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert u, hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: 'De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden en aan het kruis geslagen, maar op de derde dag verrijzen.' Zij herinnerden zich zijn woorden, keerden van het graf terug en brachten dit alles over aan de elf en aan al de anderen. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus; de andere vrouwen die met hen waren ver telden aan de apostelen hetzelfde. Maar dat verhaal leek hun beuzelpraat en zij geloof den het niet. Toch liep Petrus ijlings naar het graf, bukte zich voorover, maar zag alleen de zwachtels. Daarop ging hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.

Juist die dag waren er twee van hen op weg naar een dorp, dat Emmaüs heette en zestig stadiën van Jeruzalem lag. Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee. Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Hij vroeg hun: 'Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?' Met een bedrukt gezicht bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, nam het woord en sprak tot Hem: 'Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is? Hij vroeg hun: 'Wat dan?' Ze antwoordden hem: 'Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en heel het volk; hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om ter dood te worden veroordeeld en Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen! Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de vroegte naar het graf geweest, maar hadden zijn lichaam niet gevonden en kwamen zeggen, dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde. Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet.'

Lucas, 24, 1-24 TEKSTEN VAN DE HEILIGE JOZEFMARIA:

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome welriekende kruiden om het dode lichaam van Jezus te gaan balsemen. – De volgende dag, heel vroeg, als de zon juist op is, komen ze bij het graf (Mc. 16, 1–2). Naar binnen gaand, raken ze hevig ontsteld, want ze vinden het lichaam van de Heer niet. – Een jongeman, in wit gewaad gekleed, zegt hun: Weest niet bevreesd. Ik weet dat gij Jezus van Nazaret zoekt: non est hic, surrexit enim sicut dixit, – Hij is niet hier, want Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft (Mt. 28, 5)

Hij is verrezen! – Jezus is verrezen. Hij is niet in het graf. –Het Leven heeft de dood overwonnen. Hij verscheen aan zijn Allerheiligste Moeder. – Hij verscheen aan Maria Magdalena, die dwaas van liefde is. –En aan Petrus en de overige Apostelen. – En aan jou en aan mij, die zijn leerlingen zijn en dwazer dan Magdalena: wat hebben wij Hem allemaal niet gezegd!

Mogen wij nooit door de zonde sterven; moge onze geestelijke verrijzenis eeuwig duren. – En voor dit tientje af is, heb jij de wonden van zijn voeten gekust..., en ik, die meer durf – omdat ik meer kind ben – heb mijn lippen gedrukt op zijn open zijde.

De Heilige Rozenkrans, 1e glorievolle geheim

De dag van de triomf van de Heer — zijn verrijzenis — is de definitieve overwinning. Waar zijn de soldaten die de overheid op wacht had gezet, waar zijn de zegels die zij op de steen voor het graf had aangebracht? Waar zijn degenen die de Meester veroordeeld hebben? Waar zijn degenen die Jezus gekruisigd hebben…? Bij het zien van zijn overwinning volgt de grote vlucht van deze beklagenswaardige mensen. — Christus overwint altijd. Wees dus vol hoop.

De Smidse, 660 Instaurare omnia in Christo (Ef. 1, 10), dat is het parool van de H. Paulus aan de Ephesiërs. De hele wereld met de geest van Jezus doordringen, Christus in het midden van -alle dingen plaatsen. Si exaltatus fuero a terra, omnia traham ad meipsum (Joh. 12, 32): als Ik boven de aarde verheven ben, zal Ik allen tot Mij trekken. Door zijn Menswording en zijn leven van arbeid in Nazareth, door zijn prediking en zijn wonderen in de streken van Judea en Galilea, door zijn dood aan het Kruis en zijn Opstanding is Christus het middelpunt van de schepping, de Eerstgeborene en de Heer van alle schepselen.

Onze taak als christen is, deze Heerschappij van Christus door onze woorden en werken te verkondigen. De Heer wil de zijnen op alle kruiswegen van de aarde hebben. Sommigen roept Hij naar de eenzaamheid, opdat ze verre blijven van de drukte van de wereld en zo voor de andere, mensen getuigenis afleggen, dat God bestaat. Anderen vertrouwt bij het priesterambt toe. De meesten wil Hij midden in de wereld en in de aardse dingen hebben. Daarom moeten deze christenen Christus overal uitdragen, waar mensen werken: in de fabrieken, het laboratorium en de werkplaats, op het veld, de drukke straten van de grote stad en de eenzame bergpaden.

Hier denk ik graag aan het gesprek van Jezus met de leerlingen van Emmaüs. Christus is onderweg Met twee mensen die bijna alle hoop verloren hebben en wier leven zinloos dreigt te worden. Hij begrijpt hun smart, dringt binnen in hun hart en laat hen deelnemen aan het leven dat in Hem woont.

Als ze het dorp bereiken, doet Jezus alsof Hij verder wil gaan. De beide leerlingen houden Hem vast en dringen aan om te blijven. Dan herkennen ze Hem bij het breken van het Brood. De Heer was bij ons, roepen ze uit. En ze zeiden tot elkaar: Brandde ons hart niet in ons, toen Hij onderweg met ons sprak en ons de Schrift verklaarde? (Lc. 24, 32). Iedere christen moet Christus onder de mensen tegenwoordig stellen. Hij moet zo handelen, dat zijn medemensen de bonus odor Christi (vgl. 2 Kor. 2, 15), de goede geur van Christus bespeuren, dat door de werken van de leerling heen het gelaat van de Meester schijnt.

Als Christus nu langskomt, 105