In de werkplaats van Jozef

“De heilige Jozef is werkelijk Vader en Heer. Degenen die hem vereren, beschermt en leidt hij op hun aardse weg, net zoals hij Jezus beschermde en begeleidde terwijl Hij opgroeide en volwassen werd,” zei de heilige Jozefmaria tijdens een homilie.

Arbeid
Opus Dei - In de werkplaats van Jozef

Homilie gehouden op 19 maart 1963 (feest van de heilige Jozef)

Heel de Kerk erkent in de heilige Jozef haar patroon en beschermer. Door de eeuwen heen heeft men over hem gesproken door verschillende aspecten van zijn leven te onderstrepen, altijd trouw aan de opdracht die hij van God had gekregen. Daarom roep ik hem al vele jaren graag aan met een zeer intieme titel: Onze Vader en Heer.

De heilige Jozef is werkelijk Vader en Heer. Degenen die hem vereren, beschermt en leidt hij op hun aardse weg, net zoals hij Jezus beschermde en begeleidde terwijl Hij opgroeide en volwassen werd. Als men met hem omgaat, ontdekt men dat de heilige patriarch bovendien meester is van het innerlijk leven. Hij leert ons Jezus kennen, leert ons met Hem samen te wonen, opdat wij tot het besef komen dat wij deel uitmaken van het gezin van God. De heilige Jozef geeft ons deze lessen zoals hij was: een gewone man, een huisvader, een arbeider die zijn kost verdiende met het werk van zijn handen. En dit feit heeft ook voor ons een betekenis die reden is tot nadenken en vreugde.

Wanneer wij vandaag zijn feest vieren, wil ik zijn persoon oproepen door in herinnering te brengen, wat het evangelie ons over hem vertelt, om op deze manier beter te kunnen begrijpen wat God ons wil leren door het eenvoudige leven van de echtgenoot van de heilige Maria.

De figuur van de heilige Jozef in het evangelie

Zowel de heilige Matteüs als de heilige Lucas spreken over de heilige Jozef als een man die afkomstig was uit een voornaam geslacht, dat van David en Salomon, koningen van Israël. Details van deze herkomst zijn historisch gezien enigszins duister. Wij weten namelijk niet welke van de twee geslachtslijsten, die de evangelisten ons geven, tot Maria - Moeder van Jezus naar het vlees - behoort en welke tot Jozef, die zijn vader volgens de joodse wet was. Evenmin weten wij of de geboortestad van Jozef Betlehem was, waar hij heenging om zich te laten inschrijven, of Nazaret waar hij woonde en werkte.

Maar we weten wel dat hij geen rijk man was: hij was een arbeider, zoals miljoenen anderen over de hele wereld. Hij oefende het vermoeiende en nederige beroep uit dat God eveneens voor zichzelf had gekozen, toen Hij het vlees aannam en dertig jaar lang wilde leven als wij.

De heilige Schrift zegt dat Jozef een handwerker was. Verschillende Vaderen voegen eraan toe dat hij timmerman was. De heilige Justinus zegt, wanneer hij over het werk van Jezus spreekt, dat hij ploegen en jukken maakte (H.Justinus, Dialogus cum Tryphone, 88, 2, 8 [PG 6, 687]). Misschien heeft de heilige Isidorus van Sevilla hieruit afgeleid dat Jozef een smid was. In ieder geval een arbeider die werkte ten dienste van zijn medeburgers, met een vaardigheid die de vrucht was van jarenlang zwoegen en zweten.

Uit het evangelie blijkt de grote menselijke persoonlijkheid van Jozef. Nooit komt hij ons voor als iemand die schuchter is, of bang voor het leven. Integendeel, hij weet de problemen aan te pakken. Hij weet hoe hij uit moeilijke situaties kan komen. Hij weet de taken die hem toevertrouwd worden met verantwoordelijkheid en initiatief op zich te nemen.

Ik ben het niet eens met het klassieke beeld van sint Jozef als oude man, al heeft men dat gedaan met de bedoeling de eeuwige maagdelijkheid van Maria te laten uitblinken. Ik stel mij hem voor, jong, sterk, misschien iets ouder dan Onze Lieve Vrouw, maar in de kracht van zijn leven.

Om de deugd van kuisheid te beleven hoeft men niet te wachten tot men oud is, of geen kracht meer heeft. De kuisheid ontstaat uit de liefde, en voor de zuivere liefde zijn de energie en de vreugde van de jeugd geen hindernissen. Jong waren het hart en het lichaam van sint Jozef, toen hij in het huwelijk trad met Maria, toen hij kennis nam van het mysterie van haar goddelijk Moederschap, toen hij aan haar zijde leefde met eerbiediging van haar integriteit, die God aan de wereld wilde schenken als een teken temeer van zijn komst onder de mensen. Wie niet in staat is een dergelijke liefde te begrijpen, weet heel weinig af van wat de werkelijke liefde is en heeft totaal geen weet van de christelijke betekenis van de kuisheid.

Wij zeiden dat Jozef een handwerker was uit Galilea, een man zoals vele anderen. En wat kan een inwoner van een afgelegen dorpje als Nazaret van het leven verwachten? Alleen werk en nog eens werk, elke dag opnieuw, steeds met dezelfde inspanning. Een armoedige, kleine woning om na de inspanning van de dag op krachten te komen en de volgende dag het werk weer te hervatten.

Maar de naam van Jozef betekent in het Hebreeuws: God zal er aan toevoegen. God voegt aan het heilig leven van degenen die zijn wil vervullen onvermoede dimensies toe: het belangrijkste, dat wat waarde geeft aan alles, het goddelijke. God heeft aan het nederige en heilige leven van Jozef het leven van de Maagd Maria en dat van Jezus Onze Heer - om zo te zeggen - toegevoegd. God laat zich nooit overtreffen in edelmoedigheid. Jozef kon zich de woorden die zijn Vrouw, de heilige Maria, uitsprak, eigen maken: Quia fecit mihi magna qui potens est, Hij die almachtig is heeft aan mij grote dingen verricht, quia respexit humilitatem (Lc. 1, 48-4), want Hij zag neer op mijn geringheid.

Jozef was inderdaad een gewone man, op wie God heeft vertrouwd om grote dingen tot stand te brengen. Hij wist elk van de gebeurtenissen die deel uitmaakten van zijn leven, te beleven zoals de Heer dat wilde. Daarom looft de heilige Schrift Jozef door te zeggen dat hij rechtvaardig was (vgl. Mt. 1, 19). En in het Hebreeuws wil rechtvaardig zeggen: vroom, onberispelijk dienaar van God, vervullen van de goddelijke wil (vgl. Gen.7, 1;18, 23-32; Ez.18, 5 ev.; Spr.12, 10), ook betekent het: goed en barmhartig voor de naaste (vgl. Tob. 7, 5; 9, 9). In één woord, de rechtvaardige is degene die God bemint en deze liefde bewijst door Zijn geboden na te komen en zijn hele leven te richten op de dienstbaarheid aan zijn broeders en zusters.

Het geloof, de liefde en de hoop van Jozef

De rechtvaardigheid bestaat niet slechts in de onderwerping aan een regel: de rechtvaardigheid moet van binnenuit ontstaan en behoort diep en levendig te zijn, want de rechtvaardige leeft uit het geloof (vgl. Hab. 2, 4). Leven uit het geloof. Deze woorden die later zo vaak onderwerp van meditatie voor de apostel Paulus zijn geweest, werden volop bewaarheid in sint Jozef. Zijn vervulling van de wil van God is geen routine of formaliteit, maar spontaan en diep. De wet die elke gelovige jood naleefde, was voor hem niet slechts een wetboek of gewoon een verzameling van geboden, maar de uitdrukking van de wil van de levende God. Daarom wist hij de stem van de Heer te herkennen, toen deze zich onverwacht en verrassend openbaarde.

Want de geschiedenis van de heilige Patriarch was wel eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Na angstige ogenblikken weet hij dat de Zoon van Maria ontvangen is van de heilige Geest. En dat Kind, Zoon van God, dat stamt uit David naar het vlees, wordt geboren in een stal. Engelen vieren zijn geboorte en persoonlijkheden uit verre landen komen Hem aanbidden. Maar de koning van Judea wil zijn dood en ze moeten vluchten. De Zoon van God is ogenschijnlijk een weerloos kind dat in Egypte zal wonen.

Bij het verhalen van deze gebeurtenissen laat de heilige Matteüs in zijn evangelie de trouw van Jozef, die de bevelen van God nakomt zonder te aarzelen, voortdurend tot uiting komen, ook al kwam de betekenis van die geboden hem soms duister voor of bleef het verband met de rest van de goddelijke plannen voor hem verborgen.

Bij vele gelegenheden brengen de Kerkvaders en de geestelijke schrijvers deze kracht van het geloof van sint Jozef naar voren. De heilige Johannes Chrysostomus zegt over de woorden van de Engel die hem opdracht geeft te vluchten voor Herodes en zijn toevlucht te zoeken in Egypte (vgl. Mt. 2, 13): Toen Jozef dat hoorde, nam hij er geen aanstoot aan noch zei hij: Dat lijkt een raadsel. U liet nog niet zo lang geleden weten dat Hij zijn volk zou redden, en nu is Hij niet eens in staat zichzelf te redden; maar wij moeten vluchten, een reis ondernemen en een lange tijd in den vreemde verblijven. Dit is tegen uw belofte. Jozef denkt niet op deze manier, hij is een trouwe man. Ook stelt hij geen vragen naar de tijd van de terugkeer, ondanks het feit dat de Engel die onbepaald had gelaten. Want hij had hem gezegd: Blijf daar in Egypte - tot ik het u zeg. En toch maakt hij geen moeilijkheden, maar gehoorzaamt en gelooft, en verdraagt al de beproevingen vol vreugde (H. Johannes Chrysostomus, in Mattaeum homilae, 8, 3 [PG 57, 85]).

Het geloof van sint Jozef wankelt niet, zijn gehoorzaamheid is strikt en snel. Om de les die de heilige patriarch ons hier geeft beter te kunnen begrijpen, is het goed te overwegen dat zijn geloof levend is, en dat zijn gehoorzaamheid niet de houding heeft van de gehoorzaamheid van diegenen die zich door de gebeurtenissen laten meeslepen. Want niets is zo strijdig met het christelijk geloof als conformisme, bij de pakken gaan neerzitten en innerlijke slapheid.

Jozef gaf zich zonder enig voorbehoud over in de handen van God, maar nooit heeft hij nagelaten over de gebeurtenissen na te denken, en zo heeft hij van de Heer het vermogen gekregen de werken van God te begrijpen, dat wil zeggen: de ware wijsheid. Op deze manier leerde hij geleidelijk aan dat de bovennatuurlijke plannen in God een onderling verband hebben dat soms in tegenspraak is met de menselijke plannen.

In de verschillende omstandigheden van zijn leven denkt de patriarch daar wel over na en aarzelt hij niet zijn verantwoordelijkheid te nemen. Integendeel, hij stelt zijn hele menselijke ervaring in dienst van het geloof. Toen hij uit Egypte terugkwam, vernam hij dat in Judea Archelaüs heerste in plaats van zijn vader Herodes, en vreesde hij daarheen te gaan (Mt. 2, 22). Hij heeft geleerd zich binnen het goddelijk plan te bewegen; en als bevestiging dat dit Gods wil is, wat hij al vermoedt, ontvangt hij de aanwijzing om naar Galilea terug te gaan.

Zo was het geloof van Jozef: volledig, vol vertrouwen, integer, wat tot uitdrukking komt in een daadwerkelijke overgave aan de wil van God, in een bewust aanvaarde gehoorzaamheid. En met het geloof komt de liefde. Zijn geloof wordt één met de Liefde: liefde tot God, die de beloften aan Abraham, Jakob en Mozes vervult; liefde van een echtgenoot tot Maria, en liefde van een vader tot Jezus. Jozef gelooft en bemint, hopend dat het grote werk dat God in de wereld begint, namelijk de verlossing van de mensen, mede door middel van hem, een timmerman uit Galilea, volbracht zal worden.

Geloof, liefde, hoop: dat zijn de assen waar het leven van Jozef en elk christelijk leven om draait. De overgave van sint Jozef komt ons voor als een weefsel, een verwerving van trouwe liefde, liefdevol geloof, hoopvol vertrouwen. Zijn feestdag is derhalve een goed ogenblik om ons opnieuw te bezinnen op de christelijke roeping, die de Heer aan ieder van ons heeft geschonken.

Wanneer men werkelijk eerlijk uit geloof, uit liefde en uit hoop wil leven, dan is een hernieuwde bezinning niet iets wat in onbruik is geraakt. Wanneer er geloof, liefde en hoop is, dan betekent die bezinning: zich vernieuwen, in de handen van God blijven, ondanks alle persoonlijke fouten, zonden en zwakheden. Zich vernieuwen is: het bevestigen van de weg van trouw. Hernieuwde bezinning betekent, met andere woorden, de hernieuwing van de trouw aan datgene wat de Heer van ons wil: daadwerkelijke liefde.

De liefde heeft noodzakelijkerwijs haar eigen uitdrukkingsvormen. Soms spreekt men van de liefde, alsof zij een drang naar voldoening van zichzelf zou zijn, of slechts een middel om op egoïstische wijze de eigen persoonlijkheid aan te vullen. Maar zo is het niet. Echte liefde betekent: buiten zichzelf treden, zich overgeven. De liefde brengt vreugde met zich mee, maar het is een vreugde die haar wortels in de vorm van een kruis heeft. Zolang wij op aarde leven en wij de volheid van het toekomstig leven nog niet bereikt hebben, kan er geen werkelijke liefde zijn zonder de ervaring van het offer, van de smart: een smart die men proeft, die men kan beminnen, die de bron is van een intieme vreugde, maar toch een echt verdriet; immers zij veronderstelt de overwinning van ons egoïsme en dat de Liefde ál ons handelen zal leiden.

De werken van de Liefde zijn steeds groot, ook wanneer het om schijnbaar kleine dingen gaat. God is naar ons, arme schepselen, toegekomen en heeft gezegd dat hij van ons houdt. Deliciae meae esse cumfiliis hominam (Spr. 8, 31), ik houd ervan om bij de mensenkinderen te zijn.

De Heer geeft ons te kennen dat alles belangrijk is: wat wij vanuit aards standpunt bekijken als iets bijzonders, maar evenzeer wat wij van minder belang achten. Niets gaat verloren. Geen enkel mens wordt door God geminacht. Wij allen, ieder volgens zijn eigen roeping - in zijn gezin, in zijn beroep of ambt, in de vervulling van 'zijn plichten van staat, in de uitoefening van rechten en plichten als burger - worden uitgenodigd om deel te aan het koninkrijk der hemelen.

Dat leert ons het leven van sint Jozef: eenvoudig, gewoon, normaal, opgebouwd uit jaren van steeds hetzelfde werk, uit menselijk oogpunt bezien eentonige dagen, die elkaar opvolgen. Ik heb hier vaak over nagedacht bij het beschouwen van de persoon van de heilige Jozef en dat is één van de redenen waarom ik voor hem een bijzondere devotie voel.

Toen de heilige Vader Johannes XXIII tijdens de slotrede van de eerste zitting van het Tweede Vaticaans Concilie in 1963 aankondigde, dat in de canon van de Mis melding zou worden gemaakt van de naam van sint Jozef, belde een vooraanstaande prelaat me meteen op en zei: Rallegramenti! Gefeliciteerd! Toen ik die aankondiging hoorde, dacht ik onmiddellijk aan u, hoe blij u daarmee zou zijn. En zo was het, want de conciliaire vergadering, die de gehele in de heilige Geest verenigde Kerk vertegenwoordigt, had de onschatbare bovennatuurlijke waarde van het leven van sint Jozef verklaard, de waarde van een eenvoudig leven van werk, met de ogen op God gericht, in volledige vervulling van zijn goddelijke wil.

De arbeid heiligen, heilig worden door de arbeid, anderen door de arbeid heiligen

Als men mij vraagt naar de geest van het Opus Dei, de vereniging waaraan ik mijn leven heb gewijd, zeg ik steeds dat het gaat om de gewone arbeid, om onze beroepsarbeid, uitgeoefend midden in de wereld. De goddelijke roeping geeft ons een opdracht, nodigt ons uit om deel te nemen aan de unieke taak van de Kerk, om zo getuigenis te geven van Christus tegenover onze medemensen en alle dingen tot God te brengen.

De roeping doet ons de zin van ons bestaan inzien. In het licht van het geloof zien wij het waarom van ons aards bestaan. Ons leven, het tegenwoordige leven, het verleden en dat wat nog komen zal, krijgt een nieuwe dimensie, een diepte die wij voorheen niet vermoedden. Alles wat in ons leven gebeurt, krijgt nu zijn eigen plaats: wij begrijpen waarheen de Heer ons wil leiden en wij voelen ons als het ware meegesleept door de opdracht die ons wordt toevertrouwd.

God haalt ons uit de duisternis van onze onwetendheid, Hij maakt een eind aan ons weifelend rondtasten temidden van duizenden toevalligheden in ons leven. Hij roept ons met krachtige stem, zoals Hij dat eens met Petrus en Andreas deed: Venite post me, et faciam vos fieri piscatores hominum (Mt. 4, 19), komt, volgt Mij, Ik zal u vissers van mensen maken, ongeacht de plaats die wij in de wereld innemen.

Wie uit het geloof leeft, kan moeilijkheden en strijd ontmoeten, smart en zelfs bitterheid, maar nooit ontmoediging of angst. Hij weet immers dat zijn leven niet vergeefs is, hij weet waarvoor hij hier op de aarde is. Ego sum lux mundi -riep Christus uit - qui sequitur me non ambulat in tenebris, sed habebit lumen vitae (Joh. 8, 12), Ik ben het licht der wereld; degene die Mij volgt, loopt niet in het duister, maar zal het licht van het leven bezitten.

Om het licht van God waardig te zijn, is het nodig lief te hebben en de nederigheid te bezitten om te erkennen dat hij of zij gered moet worden, en om met Petrus te zeggen: Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Zoon van God zijt (Joh. 6, 69-70). Als het zo met ons gesteld is, als wij de roeping van God toelaten in ons hart, dan zullen ook wij met recht kunnen herhalen dat wij niet in het duister wandelen, want boven onze ellende en persoonlijke gebreken schittert het licht van God zoals de zon boven de onweerswolken.

Het geloof en de christelijke roeping omvatten ons bestaan geheel en niet slechts een deel ervan. Maar onze betrekking tot God is noodzakelijkerwijze een betrekking van overgave die leidt tot een volledige toewijding. De houding van de gelovige mens is het leven in al zijn dimensies te zien vanuit een nieuw perspectief: het perspectief dat God ons geeft.

U, die vandaag met mij het feest van sint Jozef viert, bent allen mensen met de meest verschillende beroepen. U hebt een eigen gezin, u behoort tot de meest verschillende landen, rassen en talen. U hebt uw opleiding gehad in de lokalen van onderwijsinstellingen of in werkplaatsen en kantoren, u hebt beroepsrelaties en persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met collega's, u neemt deel aan de oplossing van de gemeenschappelijke problemen die zich voordoen in uw werk en in de maatschappij.

Welnu: nogmaals herinner ik eraan dat niets daarvan vreemd is aan Gods plannen. Uw menselijke roeping is een deel, zelfs een belangrijk deel van uw goddelijke roeping. Dat is de reden waarom u uzelf moet heiligen en tegelijk moet bijdragen tot de heiliging van anderen, met andere woorden, u moet zich heiligen door uw werk en uw omgeving te heiligen: het beroep dat uw dagen vult, dat een eigen gestalte geeft aan uw persoon en uw aanwezigheid in de wereld bepaalt, uw gezin, en het land waarin u geboren bent en waarvan u houdt.

De arbeid vergezelt onvermijdelijk het leven van de mens op aarde. Dat gaat gepaard met inspanning, uitputting en vermoeidheid, uitingen van smart en van strijd, die deel uitmaken van ons huidig menselijk bestaan, en die tekenen zijn van de werkelijkheid van de zonde en de noodzaak van de verlossing. Maar de arbeid op zichzelf is geen straf en ook geen vervloeking: degenen die zo spreken hebben de heilige Schrift niet goed gelezen.

Het wordt tijd dat wij christenen hardop uitroepen dat de arbeid een gave van God is, en dat het geen enkele zin heeft de mensen in categorieën in te delen naar de verschillende soorten arbeid, waarbij sommige als edeler worden beschouwd dan andere. De arbeid, elke arbeid, is een getuigenis van de waardigheid van de mens, van zijn heerschappij over de schepping. Zij geeft gelegenheid tot ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid. Zij schept een band tussen mensen, is een bron van middelen om het eigen gezin te onderhouden; zij is een middel om bij te dragen tot verbetering van de maatschappij waarin we leven, en tot vooruitgang van de hele mensheid.

Voor een christen worden deze perspectieven nog breder en dieper, want de arbeid is voor hem deelnemen aan het scheppingswerk van God, die toen Hij de mens schiep hem gezegend heeft met de woorden: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt de aarde en onderwerpt haar; heerst over de vissen der zee, de vogels in de lucht en over alle levende wezens, die zich op aarde bewegen (Gen. 1, 28). Bovendien wordt de arbeid aan ons voorgesteld als een verloste en verlossende werkelijkheid, doordat zij door Christus opgenomen werd: zij is niet alleen het doel waarvoor de mens leeft, maar ook een middel en een weg tot heiligheid, een werkelijkheid die geheiligd kan worden en zelf weer heiligend werkt.

We mogen daarom niet vergeten dat de waardigheid van de arbeid gebaseerd is op de Liefde. Het grote voorrecht van de mens is te kunnen beminnen en zich op die manier boven het voorbijgaande en het tijdelijke te verheffen. De mens kan de andere schepselen beminnen, hij kan een “jij” en een “ik” vol inhoud uitspreken. En hij kan God beminnen die voor ons de deur van de hemel opent, die ons tot leden maakt van Zijn gezin en ons in staat stelt vertrouwelijk met Hem om te gaan.

Daarom kan de mens zich er niet toe beperken alleen maar te werken, te vervaardigen en te fabriceren. Arbeid ontstaat uit de liefde, is een uiting van liefde en vindt in de liefde haar doel. Wij treffen God niet alleen in het schouwspel van de natuur, maar ook in de ervaring van eigen inspanning. Arbeid wordt zo gebed, dankzegging, omdat wij ons door God op aarde geplaatst weten, door Hem bemind worden en erfgenamen van zijn beloften zijn. Daarom is de aansporing van de apostel Paulus zo juist: Derhalve of gij eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods (1 Kor. 10, 31).

Het beroepswerk is ook apostolaat, gelegenheid tot overgave aan andere mensen om Christus aan hen te openbaren en hen naar God de Vader te brengen, steunend op de liefde die de heilige Geest in de zielen uitstort. Onder de aanwijzingen die de heilige Paulus aan de Efeziërs geeft met betrekking tot de wijze waarop zich de verandering dient te uiten die hun bekering, hun roeping tot het christendom in hen teweeg heeft gebracht, vinden we het volgende: De dief mag voortaan niet meer stelen, maar moet arbeiden om met eigen handen de kost te verdienen en iets over te houden om weg te schenken aan wie noodlijdend zijn (Ef. 4, 28). De mensen hebben brood van de aarde nodig om hun leven in stand te houden, en ook brood van de hemel dat hun harten verlicht en verwarmt. U kunt en moet dat apostolisch gebod uitvoeren in uw eigen werk, in de initiatieven die daaruit voortkomen, in gesprekken, in de omgang!

Als wij in deze geest werken, zal ons leven, met alle beperkingen die eigen zijn aan het aardse bestaan, een vooruitlopen zijn op de heerlijkheid van de hemel, van de gemeenschap met God en met de heiligen, waarin uitsluitend liefde, overgave, trouw, vriendschap en vreugde zullen heersen. U zult in de alledaagse werkkring de werkelijke, de waardevolle, de echte materie vinden om het gehele christelijke leven te verwezenlijken, om de genade die van Christus tot ons komt, door te laten werken.

In uw beroepswerk, verricht voor het aangezicht van God, zullen geloof, hoop en liefde ingeschakeld moeten worden. De gebeurtenissen, de contacten en de problemen die uit het werk voortvloeien, zullen uw gebed voeden. Onze inspanning om iedere dag weer onze bezigheden op te pakken, zal gelegenheid geven om het kruis, dat onmisbaar voor de christen is, op te nemen. De ervaring van uw zwakheid, de fiasco's die altijd voorkomen bij iedere menselijke inspanning, zullen u een grotere realiteitszin geven, meer nederigheid en meer begrip jegens de ander. De successen en de vreugden zullen u uitnodigen dank te zeggen en te bedenken dat u niet voor uzelf leeft, maar ten dienste van de ander en van God.

Dienen, om van nut te zijn

Om zo te leven, om het beroep te heiligen, is allereerst noodzakelijk dat men serieus werkt, met menselijke en bovennatuurlijke inzet. Bij wijze van contrast haal ik nu een citaat aan uit een van de oude verhalen uit de apocriefe evangelies: De vader van Jezus was timmerman, hij maakte ploegen en jukken. Op een dag - zo luidt het verhaal - werd bij hem een bed besteld door een zeer rijke man. Maar het bleek dat een van de balken korter was dan de andere, waardoor Jozef er geen raad mee wist. Toen zei het Kind Jezus tegen zijn vader: Leg de twee balken op de grond en stel ze gelijk aan een van de einden. Dat deed Jozef. Jezus ging aan de andere kant staan, greep het kortste stuk hout aan, rekte het uit en maakte het even lang als het andere. En zijn vader Jozef zag het en verwonderde zich om het wonder; hij omarmde het Kind, kuste het en zei: Wat ben ik toch gelukkig dat God mij dit Kind heeft gegeven (Evangelie van de jeugdgeschiedenissen des Heren, nr. 13, ten onrechte toegeschreven aan de apostel Thomas).

Jozef zou God niet danken om deze reden; zo kon zijn arbeid niet zijn. De heilige Jozef is niet een man van gemakkelijke en miraculeuze oplossingen, maar een man van volharding, van inspanning en wanneer het nodig is, van vindingrijkheid. De christen weet dat God wonderen doet; dat Hij ze eeuwen geleden verricht heeft, dat Hij ze later is blijven verrichten en ze nog steeds doet, want: Non est abbreviata manus Domini (Jes. 59, 1), de macht van God is niet kleiner geworden.

Maar de wonderen zijn een uiting van de verlossende almacht van God, en niet een uitweg om de gevolgen van onbekwaamheid op te lossen of om onze gemakzucht een handje te helpen. Het wonder dat de Heer van u vraagt, is te volharden in de christelijke en goddelijke roeping, de heiliging van de dagelijkse arbeid: het wonder om van het prozaïsche van alledag heroïsche verzen te maken door de liefde waarmee u de dagelijkse bezigheden verricht. Dat is het wat God van u verwacht; Hij wil, dat u mensen bent met verantwoordelijkheidsgevoel, met apostolische ijver, beroepsbekwaam.

Daarom kan ik u als motto voor uw werk meegeven: Dienen, om van nut te zijn, want om de dingen te doen, moet men ze op de eerste plaats weten te doen. Ik geloof niet in de oprechte bedoeling van iemand die zich niet inspant om de nodige bekwaamheid te bemachtigen, om aldus de hem toevertrouwde taken goed te kunnen vervullen. Het is niet voldoende het goede te willen doen; men moet ook weten hoe men het moet doen. En als wij echt willen, zal dit zich uiten in onze inzet om met gebruik van de nodige middelen ons werk af te maken, zodat het, menselijk gezien, volmaakt is.

Maar deze bruikbaarheid, die technische bekwaamheid wat betreft het eigen beroep moet doordrongen zijn van het kenmerk dat essentieel was in de arbeid van de heilige Jozef en dat essentieel zou moeten zijn bij elke christen: de geest van het dienen, de wens om zo te werken dat men bijdraagt tot het welzijn van andere mensen. De heilige Jozef was bij zijn arbeid er niet op uit zichzelf naar voren te schuiven, hoewel de toewijding aan een leven van arbeid hem tot een rijpe en welgevormde persoonlijkheid heeft gemaakt. De patriarch werkte in het bewustzijn dat hij de wil van God vervulde en had het welzijn van de zijnen, Jezus en Maria, en van alle inwoners van het kleine Nazaret voor ogen.

In Nazaret zal Jozef zo niet de enige dan toch één van de weinige ambachtslieden geweest zijn. Hoogstwaarschijnlijk timmerman, maar zoals het wel vaker gebeurt in kleine dorpen, zal hij ook in staat geweest zijn andere werkzaamheden te verrichten: een molen die het niet meer deed opnieuw in werking stellen, of voor de winter de scheuren van een dak repareren. Met zijn vakwerk bewees Jozef ongetwijfeld veel mensen goede diensten. Hij stelde zijn beroep in dienst van zijn dorpsgenoten om hun leven aangenamer te maken en met een glimlach, een vriendelijk woord of een terloopse opmerking, kon hij het geloof en de hoop teruggeven aan wie op het punt stond deze te verliezen.

Soms, wanneer het om mensen ging die armer waren dan hijzelf, zal Jozef maar een gering bedrag in rekening gebracht hebben. Dit zal de betreffende personen het gevoel hebben gegeven dat ze betaald hadden. Gewoonlijk zal Jozef het redelijke in rekening hebben gebracht, niet meer en niet minder. Zeker heeft hij gevraagd wat hem rechtens toekwam, want trouw aan God houdt niet in afstand te doen van rechten die in werkelijkheid plichten zijn; de heilige Jozef behoorde een rechtvaardig loon te vragen, omdat hij met de opbrengst van zijn arbeid het Gezin van God, dat hem was toevertrouwd, moest onderhouden.

Gaan staan op je eigen recht mag niet voortkomen uit egoïsme. De rechtvaardigheid wordt niet bemint, wanneer deze niet wordt beleeft met het oog op de ander. Ook is het niet geoorloofd zich op kosten van anderen op te sluiten in een gemakkelijk devotionalisme. Wie rechtvaardig wil zijn in de ogen van God, spant zich ook in om rechtvaardigheid onder de mensen te brengen. En niet alleen om het goede motief dat de naam van God niet beledigd mag worden, maar omdat christen zijn betekent, het vergaren van al het edele wat in de mens aanwezig is. Om een bekende tekst van de heilige apostel Johannes te omschrijven (vgl. 1 Joh. 4, 20): men kan zeggen dat degene, die beweert rechtvaardig te zijn tegenover God maar niet rechtvaardig is tegenover z'n medemensen, liegt, en dat de waarheid niet in hem woont.

Net zoals alle christenen die dit meemaakten, nam ik eveneens met ontroering en vreugde kennis van het besluit het feest van sint Jozef-arbeider op te nemen in de liturgie. Dat feest is als een heiligspreking van de arbeid als een door God gewilde waarde, en toont hoe de Kerk, gezamenlijk en in het openbaar, al die waarheden van het evangelie verkondigt waarvan God wil dat ze in het bijzonder in onze tijd overdacht en ter harte genomen worden.

Wij hebben al veel gesproken over dit onderwerp bij andere gelegenheden, maar sta mij toe dat ik opnieuw inhaak op de natuurlijkheid en eenvoud van de heilige Jozef, die zich niet afzonderde van zijn medeburgers, of onnodige scheidsmuren maakte.

Daarom, al mag het misschien op bepaalde ogenblikken én in bepaalde omstandigheden gewenst zijn, houd ik er gewoonlijk niet van te spreken van katholieke arbeiders, katholieke ingenieurs, katholieke artsen, enz. alsof het hier zou gaan om een categorie binnen een soort, alsof de katholieken een gescheiden groep, een van anderen afgescheiden groep zouden vormen, om zo de indruk te wekken dat er een kloof bestaat tussen christenen en de rest van de mensheid. Ik respecteer de tegenovergestelde mening, maar ik denk dat het veel juister is te spreken van arbeiders die katholiek zijn of van katholieken die arbeider zijn, van ingenieurs die katholiek zijn, of van katholieken die ingenieur zijn, want de mens die het geloof bezit en een intellectueel technisch beroep uitoefent of handenarbeid verricht, is en voelt zich verbonden met de anderen, gelijk aan de anderen, met dezelfde rechten en verplichtingen, met dezelfde wens een beter mens te worden, met dezelfde ijver de gemeenschappelijke problemen aan te pakken en er een oplossing voor te vinden.

De katholiek die dit alles in zich opneemt, zal van zijn dagelijks leven een getuigenis weten te maken van geloof, hoop en liefde: een simpel normaal getuigenis, zonder ophef - een getuigenis van consequent leven, waardoor de blijvende aanwezigheid van de Kerk in de wereld wordt benadrukt, want alle katholieken vormen de Kerk als volwaardige leden van het ene Godsvolk.