Homilie paus bij de zaligverklaring (17 mei 1992)

In aanwezigheid van duizenden gelovigen uit alle werelddelen verklaarde Johannes Paulus II op 17 mei 1992 de stichter van het Opus Dei, Jozefmaria Escrivá, en de Canossiaanse dochter van de Liefde, Josephina Bakhita, zalig.

Bibliografie en essays
Opus Dei - Homilie paus bij de zaligverklaring (17 mei 1992)

1. “Het is noodzakelijk dat wij door vele kwellingen het Rijk Gods binnengaan” (Hand 14, 22).

Tot de twee leerlingen die op weg waren naar Emmaüs zei Jezus: “Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?” (Lc 24, 26).

In de eerste lezing hebben we gezien hoe de apostelen Paulus en Barnabas “de leerlingen aanspoorden in hun geloof te volharden” (Hand 14, 22). Zij verkondigden dezelfde waarheid als die waarover Christus onderweg naar Emmaüs gesproken had; een waarheid die zijn leven en dood bevestigden: “Door vele kwellingen moeten wij het Rijk Gods binnengaan”. Generaties lang hebben de leerlingen van de gekruisigde en verrezen Christus in de loop der tijd dezelfde weg gevolgd, de weg die de Heer hen had aangeduid. “Ik heb u een voorbeeld gegeven” (Joh 13, 15).

2. Vandaag wordt ons de gelegenheid geboden opnieuw onze blik te richten op deze weg van het heil: de weg tot heiligheid. En wij kunnen nadenken over twee persoonlijkheden die wij van nu af zaligen noemen: Josemaría Escrivá de Balaguer, priester en stichter van het Opus Dei, en Jozefina Bakhita, dochter van de Liefde, Canossiaanse.

De Kerk wil de volledige waarheid over Christus dienen en verkondigen. Zij wil de uitdeelster van het volledige mysterie van haar Verlosser zijn. De weg naar het Rijk Gods gaat inderdaad via veel kwellingen, maar aan het einde ervan vindt men dan ook de deelname aan de glorie: de glorie die Christus ons geopenbaard heeft door zijn Verrijzenis.

De maat van die glorie wordt ons gegeven door het nieuwe Jeruzalem, dat door de geïnspireerde woorden van de Openbaring van Johannes aangekondigd wordt: “Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn” (Apok 21, 3).

“Zie, Ik maak alles nieuw” (Apok 21, 5), zegt de verheerlijkte Heer. De weg naar de uiteindelijke “nieuwheid” van de hele schepping voert - hier op aarde - noodzakelijkerwijs langs het nieuwe gebod: “Gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad” (Joh 13, 34).

Dit nieuwe gebod bepaalde het middelpunt van twee voorbeeldige kinderen van de Kerk, die nu, in deze vreugdevolle paastijd, zalig verklaard zijn.

3. Josemaría Escrivá de Balaguer, geboren in een diepgelovig gezin, ontdekte reeds in zijn jeugdjaren de roeping van God tot een grotere overgave. Enkele jaren na zijn priesterwijding maakte hij een begin met de stichtingstaak waaraan hij zich 47 jaar vol liefde en met niet aflatende inzet zou geven ten bate van de priesters en leken die nu de Prelatuur van het Opus Dei vormen.

Het geestelijk en apostolisch leven van de nieuwe zalige was erop gebaseerd dat hij zich, door het geloof, kind van God in Christus wist. Dit geloof voedde zijn liefde tot de Heer, zijn drang tot evangeliseren, zijn blijdschap die er altijd was, ook bij grote beproevingen en moeilijkheden die hij heeft moeten overwinnen. “Het kruis opnemen is het geluk, de vreugde, vinden - zegt hij in een van zijn meditaties - ; het kruis opnemen is zich vereenzelvigen met Christus, is Christus zijn en daarom kind van God.”

Met bovennatuurlijke intuïtie heeft de zalige Josemaría zonder ophouden de universele roeping tot heiligheid en apostolaat verkondigd. Christus heeft allen geroepen om in de realiteit van het dagelijks leven heilig te worden. Daarom is het werk ook een middel tot persoonlijke heiliging en apostolaat, wanneer men leeft in vereniging met Jezus Christus, want de Zoon van God heeft zich, door mens te worden, in zekere zin verenigd met de hele werkelijkheid van de mens en met de hele schepping (vgl. Dominum et Vivificantem, nr. 50). In een maatschappij met een ongebreidelde zucht naar bezit van materiële zaken die verworden tot afgoden en motief om zich van God te verwijderen, heeft de nieuwe zalige ons eraan herinnerd dat diezelfde werkelijkheden, schepsels van God en van het menselijk vernuft, mits op juiste wijze gebruikt ter ere van God en ten dienste van de medemens, een weg kunnen worden voor de ontmoeting van de mensen met God. “Alle dingen van de wereld - leerde hij -, ook de aardse en tijdelijke activiteiten van de mensen, moeten naar God gebracht worden” (Brief, 19-3-1954).

“Uw Naam wil ik loven, mijn God, mijn Koning, voor altijd”. Deze uitroep, die wij gezongen hebben in de tussenzang, is als een samenvatting van het geestelijk leven van de zalige Josemaría. Zijn grote liefde tot Christus, tot wie hij zich geheel aangetrokken voelde, brengt hem ertoe zich voor altijd aan Hem toe te wijden en deel te nemen aan het mysterie van Zijn lijden, sterven en verrijzen. Tegelijkertijd brengt zijn kinderlijke liefde tot de Maagd Maria hem ertoe haar deugden na te volgen. “Uw Naam wil ik loven voor altijd”: zie hier de hymne die op spontane wijze uit zijn ziel opwelde en die hem aanzette al het zijne en wat hem omringde aan God te offeren. Zijn leven was inderdaad vervuld van een christelijk humanisme, met het onmiskenbare zegel van goedheid, zachtmoedigheid van hart, en de verborgen smart waarmee God zijn uitverkorenen loutert en heiligt.

4. De actualiteit en verhevenheid van deze geestelijk boodschap, die zo diep in het Evangelie geworteld is, zijn duidelijk, zoals ook blijkt uit de vruchtbaarheid waarmee de Heer het leven en werk van Josemaría Escrivá gezegend heeft. Zijn geboorteland, Spanje, wordt geëerd met deze zoon, voorbeeldig priester die nieuwe apostolische horizonten wist te openen voor missionering en evangelisatie. Moge deze vreugdevolle viering een geschikte gelegenheid zijn om alle leden van de Prelatuur van het Opus Dei aan te sporen tot een grotere overgave in hun antwoord op de roeping tot heiliging en tot een meer edelmoedige deelname aan het leven van de Kerk door altijd getuigen te zijn van de echte evangelische waarden, wat vertaald wordt in een enthousiast apostolisch dynamisme, met bijzondere aandacht voor de armsten en meest noodlijdenden.

5. In de zalige Jozefina Bakhita vinden wij ook een uitmuntende getuige van de vaderlijke liefde van God en een schitterend teken van de blijvende actualiteit van de zaligsprekingen. Zij werd in 1869 geboren in Soedan. Als kind is zij door slavenhandelaars ontvoerd en een paar keer doorverkocht op de Afrikaanse slavenmarkten. Zij heeft de gruwelen gekend van een slavernij die diepe sporen van menselijke wreedheid in haar lichaam heeft achtergelaten. Ondanks deze ervaringen van smart bleef haar onschuld onaangetast en vol van hoop. “Als slavin ben ik nooit wanhopig geweest - zo zei ze -, want in mijn binnenste voelde ik een mysterieuze kracht die mij ondersteunde.” De naam Bakhita - zoals haar ontvoerders haar hadden genoemd - betekent Gelukkige, en zo was zij inderdaad, dank zij de God van iedere vertroosting, die haar altijd aan de hand voerde en samen met haar wandelde.

Via de mysterieuze wegen van de goddelijke Voorzienigheid aangekomen in Venetië opende zij zich spoedig voor de genade. Het doopsel en, enige jaren later, de religieuze professie bij de Canossiaanse zusters, die haar hadden opgenomen en onderricht, waren het logische gevolg van de ontdekking van de evangelische schat, waarvoor zij alles offerde, zelfs haar terugkeer na vrijlating naar haar geboorteland. Zoals Magdalena van Canossa wilde ook zij alleen voor God leven, en met een heldhaftige standvastigheid begaf zij zich met nederigheid en vertrouwen op de weg van de trouw naar de grootste liefde. Haar geloof was sterk, doorzichtig en vurig. “Weten jullie hoeveel vreugde het geeft God te kennen”, herhaalde zij vaak.

6. De nieuwe zalige heeft 51 jaar als Canossiaanse religieuze doorgebracht. Zij liet zich leiden door de gehoorzaamheid in een dagelijks, nederig en verborgen engagement, dat rijk was aan echte naastenliefde en gebed. De inwoners van Schio, waar zij bijna de hele tijd woonde, ontdekten spoedig in hun “donker moedertje” - zo noemden ze haar - een vrijgevige menselijkheid, een buitengewone innerlijke kracht die meeslepend was. Haar leven werd in beslag genomen door een onophoudelijk gebed voor de missie, door een nederige en heldhaftige trouw aan haar naastenliefde, waardoor zij in de vrijheid van de kinderen Gods kon leven en die aan haar omgeving kon doorgeven.

In onze tijd waarin de ongeremde zucht naar macht, geld en genot zoveel wantrouwen, geweld en eenzaamheid veroorzaakt, stelt de Heer ons zuster Bakhita voor als een universele zuster, die ons het geheim openbaart van het meest authentieke geluk: de zaligsprekingen.

Zij heeft een boodschap van heldhaftige goedheid naar het beeld van de goedheid van de hemelse Vader. Zij heeft ons een getuigenis van verzoening en van evangelische vergeving nagelaten, dat ongetwijfeld troost zal brengen aan de christenen van haar vaderland, Soedan, die zo zwaar beproefd worden door een conflict dat al vele jaren duurt en vele slachtoffers heeft gekost. Haar trouw en haar hoop zijn oorzaken van trots en dankbaarheid voor heel de Kerk. Op dit moment van strubbelingen gaat zuster Bakhita hen voor op de weg van de nabootsing van Christus, van een meer intensief christelijk leven en van onwankelbare verbondenheid met de Kerk. Tegelijkertijd wil ik opnieuw een warme aansporing richten tot de verantwoordelijken voor de situatie in Soedan, opdat zij de bevestigde idealen van vrede en saamhorigheid tot een goed einde brengen; opdat het respect voor de fundamentele rechten van de mens - en op de eerste plaats het recht op de vrijheid van godsdienst - wordt gegarandeerd voor allen, zonder etnische of godsdienstige discriminatie.

De situatie van honderdduizenden vluchtelingen van de zuidelijke streken, door de oorlog gedwongen huis en werk te verlaten, is enorm zorgwekkend; onlangs zijn zij verplicht ook de kampen te verlaten waar zij een zekere bijstand ondervonden, en zijn gedeporteerd naar woestijnplaatsen. Hun is zelfs de vrije doorgang verboden naar de hulpkonvooien van de internationale organisaties. Hun situatie is tragisch en mag ons niet ongevoelig laten.

Met kracht spoor ik de internationale hulporganisaties aan hun goedwillende hulp, zo nodig en urgent, te blijven sturen.

Bij het begroeten van de hier aanwezige delegatie van de Kerk in Soedan richt ik, met mijn smeekbede, mijn vriendelijke groet tot heel de Kerk van dit land: tot de bisschoppen, tot de diocesane clerus en de missionarissen, tot de leken die in het pastoraat betrokken zijn, en ook tot de catechisten, deze edelmoedige en noodzakelijke medewerkers in de verbreiding van de Waarheid, het Woord en de Liefde van God. De bevolking van Soedan is altijd aanwezig in mijn hart en in mijn gebeden: aan de nieuwe zalige Jozefina beveel ik hen aan.

7. “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart” (Joh 13, 34-35). Met deze woorden van Jezus besluit het Evangelie van de Mis van vandaag. In deze zin uit het Evangelie vinden wij de synthese van heel de heiligheid, de heiligheid die Josemaría Escrivá de Balaguer en Jozefina Bakhita bereikt hebben via verschillende wegen die echter bij een en hetzelfde doel uitkomen. Beiden hebben God bemind met heel hun hart en hebben het bewijs geleverd van een liefde die zij beleefd hebben tot op heroïsche hoogte door middel van dienstwerk aan hun broeders de mensen. Daarom heeft de Kerk hen vandaag tot de eer der altaren verheven en houdt zij hen ons voor als voorbeelden van navolging van Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ieder van ons gegeven heeft (vgl. Gal 2, 20).

8. “Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem” (Joh 13, 31): het paasmysterie van de heerlijkheid.

Door middel van de Mensenzoon verbreidt zich deze heerlijkheid over al het zichtbare en onzichtbare: “Uw werken zullen U prijzen, Heer, uw vromen zullen U loven; zij roemen de glorie van uw heerschappij” (Ps 144, 10-11).

De Mensenzoon zegt: “Was het niet noodzakelijk... dat Hij dit lijden moest ondergaan om in de glorie binnen te gaan?” Deze zijn het die van generatie op generatie Christus zijn gevolgd: “Door middel van vele kwellingen zijn zij het rijk Gods binnengegaan”.

“Uw rijk is een rijk voor alle eeuwen” (Ps 144, 13). Amen.

(Vertaald uit L’Osservatore Romano, 20 mei 1992).