Doorgeven geloof begint met taal, liefde en vriendschap

De communicatie tussen christelijke instellingen is te vergelijken met de communicatie tussen personen. Een voordracht van prof.dr. Jutta Burggraf.

Geloofsvorming
Opus Dei - Doorgeven geloof begint met taal, liefde en vriendschap Prof.dr. Jutta Burggraf.

Van 23 - 25 februari 2009 vond aan de Universiteit van Navarra in Pamplona een internationale bijeenkomst plaats voor communicatieafdelingen van instellingen van o.a. universiteiten en ziekenhuizen, die hun bron van inspiratie vinden in het onderricht van de heilige Jozefmaria Escrivá.

Prof.dr. Jutta Burggraf, hoogleraar dogmatische theologie, sprak over geloofsoverdracht. Als voorwaarden om, zowel op instellingsniveau als persoonlijk niveau, te kunnen communiceren over het geloof noemt zij: Kennis van de huidige samenleving, het kennen van de gesprekspartner en zelfkennis.

INHOUD

Inleiding

1. De leefwereld van vandaag

1.1 Het postmoderne tijdperk

1.2 Onze houding tegenover de huidige veranderingen

2. De persoonlijkheid van degene die spreekt

2.1 Zijn en schijnen

2.2 Christelijke identiteit en authenticiteit

2.3 Sereniteit

2.4 Liefde en vertrouwen

3. Over het geloof spreken

3.1 Een gemeenschappelijke zoektocht

3.2 Van allen leren

3.3 De behoeften en verlangens van de mensen serieus nemen

3.4 Naar de kern van de zaak gaan

3.5 Duidelijke en eenvoudige taal

3.6 Een existentiële taal Slotopmerking Referenties

INLEIDING

We zullen beginnen met na te denken over een scène die Nietzsche ons meer dan honderd jaar geleden heeft voorgehouden. In zijn boek De dichtkunst liet deze filosoof een gek uitroepen: ”Ik zoek God! Ik zoek God! ….Waar is God gebleven?... Ik zal het jullie zeggen… God is dood! En wij hebben Hem gedood! …. Het heiligste en machtigste dat de wereld tot nu toe bezat hebben wij met onze messen laten doodbloeden”… Op dit punt zweeg de gek en keek weer naar zijn gehoor: ook dat zweeg en keek hem perplex aan. Tenslotte gooide hij zijn lamp op de grond, zodat die kapot en uit ging. “Ik kom te vroeg – zei hij vervolgens –, mijn tijd is nog niet gekomen. Dit ontzaglijke feit moet nog gebeuren en heeft de oren van de mensen nog niet bereikt”. (1)

Nu, een eeuw later, kunnen we vaststellen dat dit ontzaglijke feit de oren van een groot deel van onze tijdgenoten, voor wie God niets meer is dan een leeg woord, wel heeft bereikt. Men spreekt van een huidig religieus analfabetisme, van een onwetendheid zelfs van de meest elementaire begrippen van het geloof. (2)

Sommigen hebben zich afgevraagd of een kind dat het woord ’bedankt’ niet kent, dankbaar kan zijn: want de taal is niet alleen een uiting van wat men denkt, maar legt ook de gedachte vast. In ieder geval bepaalt de taal diepgaand mijn gedachten. Dat kunnen we in de verschillende talen merken. Chinees of Frans spreken wil niet gewoon zeggen dat het ene woord voor het andere gebruikt wordt, maar dat men andere mentale schema’s heeft en de wereld volgens de omstandigheden van het respectieve land begrijpt. Sommige stammen in Siberië bijvoorbeeld hebben veel verschillende woorden voor ‘“sneeuw’ (al naar gelang die wit of grauw is, hard of zacht, vers of oud), terwijl de Arabische volken over een groot aantal woorden voor ’paard’ beschikken. Als men dat beseft, kan men begrijpen dat Karel V heeft gezegd: “Zo veel talen als ik spreek, zo veel mensen ben ik”.

Met betrekking tot de godsdienst kunnen we daaruit concluderen: als ik in een geseculariseerde wereld leef en de taal van het geloof niet ken, is het menselijkerwijze onmogelijk christen te worden.

1. DE LEEFWERELD VAN VANDAAG

Als wij over het geloof willen spreken, moeten we de wereld waarin wij ons bewegen goed kennen. We moeten het hart van de hedendaagse mens kennen – met zijn twijfels en verwarringen –, ons eigen hart, met zijn twijfels en verwarringen.

1.1 Het postmoderne tijdperk

Wij hebben doorgaans veel afgoden, bijvoorbeeld onze gezondheid, de verheerlijking van het lichaam, de schoonheid, het succes, het geld of de sport; al deze dingen krijgen soms het kenmerk van een nieuwe godsdienst. Chesterton heeft gezegd: “Als men ophoudt in God te geloven, dan kan men in niets meer geloven, en het ernstigste probleem is dat men dan in alles kan geloven”.

En het lijkt inderdaad wel alsof alles gemakkelijker te geloven is dan een christelijke waarheid. Mijn leerlingen van de rechten- of scheikundefaculteit bijvoorbeeld spreken volkomen te goeder trouw over de reïncarnatie van Christus (die 2000 jaar geleden plaats heeft gevonden): het woord “reïncarnatie is hun blijkbaar veel vertrouwder dan het woord menswording. Hier merken we de invloed van het boeddhisme en hindoeïsme in de Westerse wereld. Waarom hebben deze zo’n sterke aantrekkingskracht? Het lijkt erop dat men naar het exotische verlangt, het liberale, zoiets als een godsdienst a la carte. Men zoekt niet de waarheid, maar dat wat begerenswaardig is, wat mij bevalt en me goed uitkomt: een beetje van Boeddha, een beetje van Shiva, een beetje van Jezus van Nazareth.

In vroeger tijden werd het leven beschouwd als vooruitgang. Tegenwoordig echter wordt het als toerisme beschouwd: er is geen continuïteit, maar juist gebrek daaraan. We gaan zonder vaste richting door het leven. Het motto van een motorrijder drukt dit heel goed uit: “Ik weet niet waar ik heen ga, maar ik wil er snel komen.” In de literatuur spreekt men van de ’moderne duisternis’, van de ’huidige chaos’.

“De moderne mens is een zigeuner”, heeft men terecht gezegd. Hij heeft geen vast thuis: misschien heeft hij een huis voor zijn lichaam, maar niet voor zijn ziel. Het ontbreekt aan oriëntatie, er heerst onzekerheid en ook veel eenzaamheid. Zo is het niet te verwonderen dat men het geluk in het directe genot wil vinden, of misschien in het applaus. Als iemand niet bemind wordt, wil hij tenminste geroemd worden.

Misschien zijn wij allemaal wel eraan gewend geraakt niet na te denken: tenminste niet iets tot het einde toe te doordenken. Dit is wat men noemt het zwakke denken. We leven in een tijd waarin we steeds volmaaktere middelen hebben, maar de doeleinden zijn volstrekt gek.

Tegelijkertijd kunnen we een ware “honger naar verinnerlijking” ontdekken, zowel in de literatuur als in de kunst, in de muziek en eveneens in de filmwereld. Steeds meer mensen zoeken een ervaring van stilte of beschouwing; tegelijkertijd zijn ze teleurgesteld in het christendom dat in veel milieus de naam heeft niet méér te zijn dan een onbuigzame bureaucratische instelling, met voorschriften en straffen.

Anderen ontvluchten de Kerk uit tegengestelde beweegredenen: de christelijke verkondiging lijkt hun te oppervlakkig, heel light, zonder fundament en zonder strikte eisen. Zij zoeken niet het liberale, maar juist het tegendeel: zij zoeken het zekere. Ze willen dat iemand hun met absolute zekerheid zegt wat de weg is naar ons heil en dat die ander voor hun denkt en beslist: hier hebben we de ruime markt van de sekten. (3)

We leven in multiculturele maatschappijen, waarin men tegelijkertijd de meest tegengestelde verschijnselen kan waarnemen. Sommigen trachten alles wat ons gebeurt in één woord samen te vatten: postmodernisme. Het woord geeft aan dat het om een situatie van verandering gaat: het is een tijd die ná het modernisme komt en vóór een nieuw tijdperk dat we nog niet kennen. (De aanhangers van New Age hebben zich deze naam toegeëigend: volgens hen zouden we ons al in dit nieuwe tijdperk bevinden, maar – volgens mijn opvatting – is dat een vergissing: zij zijn gewoon postmodern.)

Het postmodernisme is een beperkt tijdperk dat de mislukking van het modernisme aangeeft. Men kan die tijd vergelijken met de na oorlogstijd – de moeilijke tijd na een oorlog – die de voorbereiding op iets nieuws is. En deze tijd kan ook in verband gebracht worden met de tijd na een operatie, waarin iemand herstelt van een ingreep voordat hij zijn normale bezigheden weer opneemt.

Het lijkt er echt op dat wij in een wisseling van tijdperken leven: we gaan een nieuwe etappe van de mensheid binnen. En de nieuwigheden vereisen een nieuwe manier van spreken en handelen.

1.2 Onze houding tegenover de huidige veranderingen

Hoe kunnen wij in deze verwarring het beste over het geloof spreken? Op de eerste plaats kunnen ons een paar overwegingen van Romano Guardini helpen die niets van hun actualiteit verloren hebben. In zijn Brieven vanuit het Comomeer spreekt deze grote christelijke schrijver over zijn bezorgdheid over de moderne wereld. Hij heeft het bijvoorbeeld over het kunstmatige van ons leven, hij schrijft over de manipulatie waar we dagelijks aan blootgesteld zijn, hij behandelt het verlies van de traditionele waarden en van het schelle licht van de psychoanalyse … . Nadat hij in acht lange brieven een werkelijk wanhopig panorama heeft laten zien, verandert hij aan het eind van het boek plotseling van houding. In de negende en laatste brief zegt hij vol uit ja tegen deze wereld waarin hij nou eenmaal leeft en hij legt de verbaasde lezer uit dat dit precies is wat God ieder van ons vraagt. De verandering van cultuur die wij meemaken mag de christenen niet alleen maar perplex maken. (4) Het mag niet zo zijn dat we overal bezorgde en uitgeputte mensen zien die naar vroegere tijden terugverlangen. Want het is God zelf die in de veranderingen werkzaam is. Wij moeten bereid zijn naar Hem te luisteren en ons door Hem te laten vormen. (5)

Wie invloed wil uitoefenen op het heden moet van de wereld waarin hij leeft houden. Hij mag niet met heimwee en berusting naar het verleden kijken, maar moet een positieve houding tegenover het concrete historische moment aannemen: hij zou opgewassen moeten zijn tegen de nieuwe gebeurtenissen, waardoor zijn vreugde en zorgen worden bepaald en heel zijn manier van leven beïnvloed. “In heel de geschiedenis van de wereld is er maar één belangrijk moment, dat van het nu”, zegt Bonhoeffer. “Wie het heden ontvlucht, ontvlucht het uur van God”. (6)

Vandaag de dag vatten de mensen de verschillende gebeurtenissen in de wereld op een andere manier op dan de vorige generaties, en ze reageren ook gevoelsmatig op een andere manier. Daarom is het zo belangrijk dat wij weten te luisteren. (7) Een goede theoloog leest zowel de Schrift als de krant, een tijdschrift of internet; hij laat zien dat hij verwantschap met en sympathie voor onze wereld voelt. (8) En hij weet dat hij God op een veel levendiger manier kan vinden in de geest en het hart van de mensen om hem heen dan in theorieën en reflecties.

De mentaliteitsveranderingen nodigen ertoe uit de eigen geloofsovertuiging op een andere manier dan voorheen uiteen te zetten. (9) Wat dit betreft zegt een schrijver: “Ik ben niet bereid mijn (basis)ideeën te wijzigen, hoezeer de tijden ook veranderen. Maar ik ben bereid alle uiterlijke formuleringen aan mijn tijdperk aan te passen, puur uit liefde voor mijn ideeën en mijn broeders, want als ik een dode taal spreek of een achterhaald standpunt inneem, ben ik mijn ideeën aan het begraven en zal ik door niemand begrepen worden”. (10)

2. DE PERSOONLIJKHEID VAN DEGENE DIE SPREEKT

Om over God te spreken is het niet alleen nodig rekening te houden met het milieu waarin we ons bewegen. Nog doorslaggevender is de persoonlijkheid van degene die spreekt: want bij het spreken delen we niet slechts iets mee; wij drukken op de eerste plaats onszelf uit. De taal is een ‘spiegel van onze geest’. (11)

Er bestaat ook een niet-verbale taal, die onze woorden vervangt of begeleidt. Het is het klimaat dat wij om ons heen scheppen, gewoonlijk door middel van heel kleine dingen, zoals bijvoorbeeld een hartelijke glimlach of een waarderende blik. Wanneer de sporenelementen in het menselijk lichaam, al zijn ze minimaal, ontbreken, kan iemand ernstig ziek worden en sterven. Op een analoge manier kunnen we spreken van de ‘sporenelementen’ in een bepaald milieu: het zijn die moeilijk aan te tonen en nog minder opeisbare details die maken dat de ander zich op zijn gemak voelt, dat hij zich bemind en gewaardeerd weet.

2.1 Zijn en schijnen

Het is goed sommige van de theorieën over communicatie (die trouwens waarheden als een koe uitdrukken) serieus te nemen. Deze theorieën herinneren ons eraan dat iemand meer meedeelt door wat hij is dan door wat hij zegt. Sommigen beweren zelfs dat 80 of 90 procent van onze communicatie op een niet-verbale manier plaatsvindt.

Bovendien geven we slechts een klein deel van de informatie op een bewuste manier door en de rest op een onbewuste: door middel van onze blik en gelaatsuitdrukking, door middel van onze handen en gebaren, onze stem en heel onze lichaamstaal. Het lichaam geeft onze innerlijke wereld te kennen, vertaalt onze emoties en verlangens, onze dromen en teleurstellingen, onze edelmoedigheid en angst, haat en wanhoop, liefde, smeekbeden, berusting en triomf; en het kan een ander maar moeilijk voor de gek houden. De heilige Augustinus spreekt van een ’natuurlijke universele taal’. (12)

Evenzeer vangen de anderen de boodschap slechts gedeeltelijk op een bewuste manier op en merken ze een heleboel dingen onbewust. Ik zal nooit een situatie vergeten waarin ik deze waarheid op een heel duidelijke manier heb bemerkt. Toen ik in een instelling voor zieke en eenzame mensen werkte, kwam op een dag iemand van de leiding de kamer van een zieke binnen en sprak heel beminnelijk met hem, met aardige attenties van allerlei soort. Maar toen hij de kamer uit was gegaan, bekende de zieke mij dat hij deze leidinggevende heel antipathiek vond. Waarom? Om redenen die met mijn werk te maken hadden was ik erachter gekomen dat de bezoeker de zieke in werkelijkheid minachtte. Hij wilde dat verbergen, maar onbewust drukte hij het uit. En zoals te vrezen was merkte de zieke dat heel goed.

Dat wil zeggen dat het niet voldoende is te glimlachen en beminnelijk te lijken. Als wij het hart van de anderen willen raken, moeten wij eerst ons eigen hart veranderen. De belangrijkste mededeling wordt louter en alleen door het aanwezig zijn van een rijp en liefdevolle persoon gedaan. In het oude China en in India was de meest gewaardeerde mens degene die bijzonder goede geestelijke kwaliteiten bezat. Hij gaf niet slechts kennis door, maar een diep menselijke houding. Degenen die met hem in contact kwamen, verlangden te veranderen en te groeien –en verloren hun angst om anders te zijn.

Juist tegenwoordig is het heel belangrijk te ervaren dat het geloof heel menselijk en menselijkmakend is; het geloof schept een klimaat waarin iedereen zich op zijn gemak voelt en op een beminnelijke manier opgeroepen om het beste van zichzelf te geven. Deze waarheid komt tot uiting in het leven van veel grote personages, vanaf de apostel Johannes tot moeder Theresa van Calcutta.

2.2 Christelijke identiteit en authenticiteit

Om doeltreffend over God te kunnen spreken is een duidelijke christelijke identiteit nodig. Misschien lijkt onze taal soms zo kleurloos omdat wij nog niet voldoende overtuigd zijn van de schoonheid van het geloof en van de grote schat die wij bezitten, en laten we ons gemakkelijk door onze omgeving ondersneeuwen.

Maar het licht is er eerder dan de duisternis, en onze God is de eeuwig Nieuwe. Het is niet de ‘hoge ouderdom’ van het oorspronkelijke christendom wat het de mensen moeilijk maakt, maar het zogenaamde verburgerlijkte christendom. “Maar dit verburgerlijkte christendom is niet het christendom – merkt Congar op –. Het is alleen maar de manier waarop het christendom in de verburgerlijkte maatschappij wordt beleefd”. (13) Dit feit maakt het ons mogelijk een zeker optimisme en hoop te hebben wanneer wij over God spreken.

Een christen hoeft niet volmaakt te zijn, maar wel authentiek. De anderen merken of iemand overtuigd is van de inhoud van zijn woorden of niet. De zelfde woorden – bijvoorbeeld: God is Liefde – kunnen triviaal of buitengewoon zijn, al naar gelang de vorm waarin ze gezegd worden. “Deze vorm hangt af van de diepte in het wezen van een mens, waar die woorden uit voortkomen zonder dat de wil iets kan doen. En door een wonderbaarlijke overeenstemming tussen spreker en luisteraar bereiken ze dezelfde diepte in degene die luistert”. (14) Als iemand spreekt vanuit de vreugde God in het diepst van zijn hart te hebben ontmoet, kan het gebeuren dat hij de anderen door de kracht van zijn woord ontroert. Het is niet nodig dat hij een briljante redenaar is. Hij spreekt eenvoudig met het gezag van iemand die beleeft – of tracht te beleven – wat hij zegt; hij deelt iets mee vanuit het centrum zelf van zijn bestaan, zonder gezochte zinnen of saaie recepten.

De mens neemt als het ware door osmose houdingen en gedragingen over van degenen om hem heen. Zo kan ieder christelijk gedrag ertoe uitnodigen zich voor God open te stellen, of het nu wel of niet uitdrukkelijk betrekking heeft op het geloof. Maar het kan de anderen ook aanstoot geven, zodat de woorden hun kracht verliezen. Edith Stein vertelt dat ze haar Joodse geloof verloor toen ze als kind besefte dat haar oudere broers en zusjes bij de viering van het Paasfeest alleen maar ‘toneel speelden’ en niet geloofden wat ze zeiden.

2.3 Sereniteit

Een christen is niet op de eerste plaats een vrome persoon, maar een gelukkige persoon, aangezien hij de zin van zijn bestaan heeft gevonden. Juist daardoor is hij in staat de anderen de liefde voor het leven door te geven, die even aanstekelijk is als de angst (ervoor).

Het gaat gewoonlijk niet om een luidruchtig geluk, maar om een serene rust, de vrucht van het aanvaard hebben van het verdriet en de zogenaamde klappen van het leven. We moeten de anderen – zonder onze eigen moeilijkheden te verbergen – ervan overtuigen dat geen enkele ervaring in het leven nutteloos is. We kunnen altijd leren en rijper worden – ook wanneer wij van de weg afraken, wanneer wij verdwalen in de woestijn, of door een onweer overvallen worden. Gertrud von Le Fort zegt dat niet alleen de zonnige dag, maar ook de donkere nacht zijn wonderen kent. “Er zijn bepaalde bloemen die alleen in de woestijn bloeien; sterren die alleen te zien zijn waar geen mensen meer zijn. Er bestaan ervaringen van de liefde van God die we alleen beleven als we ons helemaal in de steek gelaten voelen, bijna aan de rand van de wanhoop staan”. (15)

Hoe kan iemand die zich nooit door droefheid verpletterd heeft gevoeld, anderen begrijpen en troosten? Er zijn mensen die, na veel te hebben geleden, heel begripvol zijn geworden, hartelijk, openstaand voor anderen en gevoelig voor hun verdriet. In één woord, ze hebben geleerd te beminnen.

2.4 Liefde en vertrouwen

De liefde haalt het beste dat er in de mens is naar boven. De grote idealen ontwaken in een klimaat van aanvaarding en genegenheid. Voor een kind is het bijvoorbeeld belangrijker op te groeien in een omgeving waar echte liefde heerst, zonder uitdrukkelijk de godsdienst erbij te halen, dan in een klimaat van een louter formele vroomheid, zonder liefde. Als de liefde ontbreekt, ontbreekt de basisvoorwaarde voor een gezonde ontwikkeling. IJzer dat koud is, kan men niet smeden; maar als het verhit wordt, kan het zachtjes in vorm gebracht worden.

De kinderen zouden via hun ouders de liefde van God moeten ontdekken. (16) Wat nodig is, is de ’taal van de daden’; men moet de eigen taal beleven. Niet de uitleg en de catechismuslessen zijn doorslaggevend; die komen later wel. Eerder, veel eerder moet de grond voorbereid worden om het zaad te kunnen ontvangen.

Ieder kind doet in de eerste jaren van zijn leven een basisontdekking, die van levensbelang zal zijn voor zijn karakter: of “ik ben belangrijk, ze begrijpen mij en houden van mij”, of “ik ben te veel, ik stoor”. Iedereen moet op de een of andere manier de(ze) ervaring bemind te worden opdoen, die Jesaja ons meedeelt: “kostbaar zijt gij in mijn ogen, zó waardevol: Ik heb u lief… In mijn handpalm heb Ik u geschreven”. (17)

Als deze ervaring ontbreekt, kan het gebeuren dat iemand nooit in staat is duurzame relaties te onderhouden, noch serieus te werken. En bovenal zal het voor zo iemand moeilijk zijn echt in de liefde van God te geloven: geloven dat God een Vader is die begrijpt en vergeeft en die rechtvaardige eisen stelt die goed zijn voor Zijn kind. (18) “De geschiedenis van elke mens die zich in de verkeerde richting ontwikkelt vertelt dat een ooit prachtig, waardevol, bijzonder kind met veel kwaliteiten het gevoel van zijn eigenwaarde is verloren”. (19) Dit kan later moeilijk rechtgetrokken worden door lessen over de liefde van God te geven. Iemand heeft terecht gezegd: “Wat je doet maakt zoveel lawaai, dat ik niet hoor wat je zegt”.

Veel mensen hebben een basis van vertrouwen niet kunnen ontwikkelen. En omdat ze geen vertrouwen kennen, lopen ze voortdurend rond met een ‘aangeboren angst’. Ze willen niets van God weten; ze worden bang en krijgen zelfs een afschuw van het christendom. Want God is voor hun alleen maar een strenge Rechter, die straft en veroordeelt, zelfs met willekeur. Ze hebben niet ontdekt dat God Liefde is, een Liefde die zich aan ons overlevert en die meer geïnteresseerd is in ons geluk dan wij dat zelf zijn.

Daarom is het zo belangrijk in de mogelijkheden van de anderen te geloven en ze dat te doen begrijpen. Soms is het indrukwekkend te zien hoe iemand kan veranderen als men hem vertrouwen schenkt; hoe iemand verandert als men met hem omgaat volgens de ideale opvatting die men van hem heeft. Er zijn veel mensen die met hun discrete en zwijgende bewondering anderen weten aan te moedigen om betere mensen te worden. Ze geven hun de zekerheid dat er veel goeds en moois in hun steekt, wat ze met geduld en volharding helpen ontwikkelen en bevorderen.

Wanneer iemand merkt dat hij bemind wordt, krijgt hij een vreugdevol vertrouwen in de ander: hij begint zijn innerlijke wereld te openen. Het doorgeven van het geloof begint – op alle niveaus – met een niet-verbale taal. Het is de taal van de liefde, van het begrip en van de echte vriendschap.

3. OVER HET GELOOF SPREKEN

Wanneer ik de andere persoon goed ken, ken ik ook zijn ervaringen, zijn wonden en wensdromen. En – als deze kennis van twee kanten komt – weet de ander hoe mijn leven is, wat me doet lijden en wat me hoop geeft. De vriendschap kan nooit van één kant komen. In een klimaat waarin beiden elkaar goed kennen is het makkelijker over alles te praten, ook over het geloof.

3.1 Een gemeenschappelijke zoektocht

Er zijn mensen die een sterke christelijke identiteit hebben en desondanks toch niemand kunnen overtuigen. Wanneer iemand te veel zekerheid laat merken wordt hij tegenwoordig in beginsel niet geaccepteerd. Men verwerpt de ‘grote verhalen’ en eveneens de ‘verkondigers van de hoogste waarheid’, omdat wij duidelijker dan ooit weten dat niemand alles kan weten. Men spreekt over een pastoraal van onderaf, niet van boven opgelegd, niet vanaf een leerstoel, vanwaar men de ‘arme onwetenden’ wil onderrichten. Deze manier van handelen is niet meer doeltreffend en was het misschien ook nooit.

Ik moet nu denken aan wat men over paus Johannes Paulus II vertelt. Het gebeurde tijdens het Tweede Vaticaans Concilie. In een van de plenaire zittingen van het concilie vroeg de toen jonge bisschop Wojtyla het woord en oefende onverwacht een scherpe kritiek uit op het ontwerp van een van de belangrijkste documenten dat was voorgesteld. Hij maakte duidelijk dat het voor niets anders diende dan om in de prullenmand gegooid te worden. Zijn redenen waren de volgende: “In de voorgelegde tekst onderwijst de Kerk de wereld. Zij stelt zich om zo te zeggen boven de wereld, in de overtuiging dat zij de waarheid bezit en zij eist van de wereld dat deze haar gehoorzaamt.” Maar deze houding kan een grote arrogantie uitdrukken. “De Kerk moet de wereld niet onderrichten vanuit een autoritaire positie, maar ze moet samen met de wereld de waarheid en de authentieke oplossingen voor de grote problemen van het menselijk leven zoeken.” (20) De manier om het geloof uiteen te zetten mag nooit een obstakel voor de anderen worden.

3.2 Van allen leren

Wat in onze dagen het aantrekkelijkst is, is niet de zekerheid, maar de oprechtheid: we moeten de anderen onze eigen redenen vertellen die ons overtuigen te geloven, en over onze twijfels en vragen praten. (21) Kortom, het gaat erom, zich aan de zijde van de ander te scharen en de waarheid samen met hem te zoeken. Natuurlijk kan ik hem veel geven als ik geloof heb; maar de anderen kunnen mij ook veel leren.

Thomas van Aquino zegt dat ieder mens, hoe verkeerd zijn overtuigingen ook zijn, op de een of andere manier deelheeft aan de waarheid: het goede kan bestaan zonder met het kwaad vermengd te zijn; maar het kwaad bestaat niet zonder dat het met het goede vermengd is. (22) Daarom moeten wij niet alleen de waarheid doorgeven die wij – met de goddelijke genade – hebben verworven, maar zijn we ook geroepen er voortdurend dieper in door te dringen en haar daar te zoeken waar ze te vinden is, dat wil zeggen: overal. Het is bijvoorbeeld heel verrijkend met Joden of moslims te praten; er gaan altijd nieuwe horizonten voor ons open. En de waarheid, het maakt niet uit wie haar verkondigt, kan alleen van God komen. (23)

Aangezien wij christenen niet ten volle alle rijkdommen van ons eigen geloof beseffen, kunnen (en moeten) wij, met de hulp van de anderen, steeds dieper gaan. De waarheid bezit men nooit ten volle. In laatste instantie is zij niet iets, maar iemand, is ze Christus. Het is geen leer die wij bezitten, maar een Persoon door wie wij ons laten bezitten. Het is een proces zonder einde, een voortdurende verovering.

3.3 De behoeften en verlangens van de mensen serieus nemen

We kunnen ons afvragen: waarom is deze ideologie voor zo veel mensen zo aantrekkelijk? Gewoonlijk laat een ideologie de diepste verlangens en behoeften van onze tijdgenoten zien (die onze eigen verlangens en behoeften zijn). De reïncarnatietheorie bijvoorbeeld legt de hoop op een ander leven bloot; de transcendentale meditatie leert hoe iemand zich voor het uit- en inwendige lawaai kan afsluiten; en de groepen van skinheads of hanenkammen, evenals die van de punkers in de jaren 80 (en 90), de gothics van de jaren 90 (en van het jaar 2000) en de rappers van tegenwoordig bieden een solidariteit – een gevoel van erbij horen – die veel jongeren in hun familie niet vinden.

Het geloof biedt echter veel diepere en meer opbeurende antwoorden. Het zegt ons dat alle mensen – en in het bijzonder de christenen – broeders van elkaar zijn, geroepen om onze levensweg gezamenlijk af te leggen. Wij zijn nooit alleen. Als we in het gebed met God spreken – wat we op elk moment van de dag kunnen doen – verwijderen wij ons niet van de anderen, maar verenigen wij ons met Degene die in deze wereld het meest van ons houdt en die voor ons allen een eeuwig leven vol geluk heeft bereid.

Als het ons lukt, het goddelijk mysterie met de sleutel van de liefde uit te leggen, zal het makkelijker zijn de belangstelling van de moderne mens te wekken. Er zijn noemenswaardige pogingen in deze zin gedaan. (24) De God van de christenen is de God van de Liefde, omdat Hij niet alleen Een is, maar tegelijk Drie-enig. Omdat beminnen bestaat in een relatie met een jij – in geven en ontvangen – kan een God ’alleen’ (één enkele persoon) geen liefde zijn. Van wie zou hij kunnen houden vanaf alle eeuwigheid? Een solitaire God, die zichzelf kent en bemint, kan eigenlijk alleen als een heel angstwekkend wezen worden beschouwd.

De drie-ene God is werkelijk de God van de Liefde. Binnen Zijn wezen ontdekken wij een leven van zelfgave en wederzijdse overgave. De Vader geeft heel Zijn liefde aan de Zoon; Hij is de Grote Minnaar genoemd. De Zoon ontvangt deze liefde en geeft hem aan de Vader terug; Hij is degene die nooit nee zegt tegen de Liefde. De Geest is de Liefde zelf tussen die twee; Hij is de medebeminde, volgens Hugo de San Victor: Hij laat zien dat het om een open liefde gaat, waarbinnen een ander past, waarbinnen ook wij passen. (25)

“In de wereld leven wil zeggen: door God bemind worden”, zegt Gabriël Marcel. Daarom kan een gelovige zich beschermd en veilig weten. Hij kan ervaren dat zijn diepste verlangens vervuld worden.

3.4 Naar de kern van de zaak gaan

Als wij over het geloof spreken, is het belangrijk naar de kern van de zaak te gaan: de grote liefde van God voor ons, het indrukwekkende leven van Christus, het mysterieuze handelen van de Geest in onze geest en in ons hart… Wij moeten alles vermijden wat degenen doen die het christendom willen ontkrachten: het geloof reduceren tot de moraal, en de moraal tot het zesde gebod. In ieder geval is het belangrijk, heel duidelijk te maken dat de Kerk ja zegt tegen de liefde. En om de liefde veilig te stellen, zegt ze nee tegen de misvormingen van de seksualiteit.

Benedictus XVI heeft tot deze zelfde manier van handelen besloten. Na de Werelddag van de gezinnen in Valencia gaf hij een interview met Radio Vaticaan, waarin ze hem vroegen: “Heilige Vader, u hebt helemaal niet over abortus, noch over euthanasie, noch over het homohuwelijk gesproken. Was dat uw opzet?” En de Paus antwoordde: “Natuurlijk … Als men zo weinig tijd heeft, kan men niet onmiddellijk met het negatieve beginnen. Men moet eerst weten wat wij willen zeggen, nietwaar? En het christendom… is niet een opeenhoping van verboden, maar een positieve optie. Het is heel belangrijk dat men dat weer gaat zien, aangezien dit besef tegenwoordig bijna helemaal verdwenen is. Men heeft veel gesproken over wat niet geoorloofd is, en nu moeten wij zeggen: wij hebben juist een positieve opvatting voor te houden…Het is vooral van belang, de nadruk te leggen op wat wij willen”. (26)

3.5 Duidelijke en eenvoudige taal

Toen ik in Keulen studeerde, moest ik een keer een lang en moeilijk werkstuk maken voor een werkgroep van de universiteit. Voordat ik het aan de professor gaf, liet ik het een oudere medestudent zien die het belangstellend las en me daarna een vriendschappelijke raad gaf die ik nooit ben vergeten: “Het is goed – zei hij mij –, maar als je een goed cijfer wilt krijgen, moet je hetzelfde op een veel ingewikkeldere manier zeggen”.

Zo zijn wij. Soms verwarren wij het ingewikkelde met het intelligente, en vergeten we dat God – de hoogste Waarheid – tegelijk de hoogste eenvoud is. De taal van het geloof spreekt op een eenvoudige manier over onuitsprekelijke werkelijkheden. “Ik wil liever vijf woorden spreken in verstaanbare taal om anderen te onderrichten dan duizend in een onbegrijpelijke taal”, zegt Sint Paulus. (27)

Men kan beelden gebruiken om onze geest het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid een beetje te doen benaderen. Een van de meest gewone beelden is dat van de zon, van haar licht en warmte; of ook de bron, de rivier en de zee, een vergelijking waar de Griekse kerkvaders erg van hielden. (28) Men kan ook anekdotes zoeken, citaten uit de literatuur of scènes uit films. In de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie werden de experts in de theologie opgeroepen een toegankelijke taal te gebruiken: “Ieder levenloos en dor taalgebruik, het ontleden in onderdelen vol abstracte beweringen, moet nagelaten worden om een levendige en concrete taal te gebruiken, zoals in de Bijbel en bij de oude kerkvaders. Men moet ophouden met overbodige, bijkomstige discussies en het uit louter nieuwsgierigheid problemen zoeken… Het heeft iets honends en respectloos als men tot iemand een cryptische, moeilijk te begrijpen toespraak houdt. Het is respectloos zowel jegens de waarheid als jegens de persoon die het recht heeft te begrijpen.” (29)

Wie niet begrijpt wat iemand anders aan het zeggen is, kan zijn twijfels niet uiten, kan het niet in vrijheid zelfstandig onderzoeken. Hij is van de ander afhankelijk en kan gemakkelijk door deze worden gemanipuleerd.

3.6 Een existentiële taal

Ook de ander heefthet recht de hele waarheid te kennen. Als wij een deel van het geloof weglaten, scheppen we een sfeer van verwarring en helpen we hem niet echt. Daniélou zegt dat duidelijk: “De basisconditie voor een oprechte dialoog met een niet-christen is hem te zeggen: ik heb de plicht jou te zeggen dat jij op een dag tegenover de Drie-eenheid zult staan”. (30)

We moeten de anderen het geloof zo duidelijk en compleet mogelijk uitleggen. (31) Van de andere kant winnen we daarmee in elke menselijke relatie aan oprechtheid: wij willen onze eigen identiteit te kennen geven, dat wil in ons geval zeggen: de christelijke identiteit. De ander wil weten wie ik ben. Als wij niet zorgvuldig over alle aspecten van het geloof praten, zullen de anderen ons niet kunnen aanvaarden zoals we echt zijn en zo zal onze relatie iedere keer oppervlakkiger worden, teleurstellender, totdat ze vroeg of laat kapot zal gaan.

Maar wij willen niet alleen het project van ons eigen leven te kennen geven. Wij verlangen ook de anderen aan te moedigen zich door de lichtende figuur van Christus te laten bekoren en overwinnen.

Hier wordt het existentiële en dynamische karakter van de taal over het geloof duidelijk, die de anderen uitnodigt beetje bij beetje in het christelijke leven door te dringen, dat dialoog en intimiteit is, beantwoording aan de Liefde en tegelijkertijd een groot avontuur, het avontuur van het geloof.

SLOTOPMERKING

In God geloven betekent onderweg zijn met Christus – te midden van veldslagen die wij moeten leveren – naar het huis van de Vader. (32)

Maar daarvoor zijn onze inspanningen van weinig nut, en minder nog onze preken. Onze taal is heel beperkt. Het geloof is een gave van God en de ontwikkeling ervan eveneens. Wij kunnen de anderen uitnodigen het geloof, samen met ons, nederig van de hemel af te smeken.

Ons doel van het spreken over God bestaat erin alle mensen ertoe te brengen te spreken met God. Zelfs Nietzsche, die het christendom gedurende vele tientallen jaren heeft bestreden, heeft aan het eind van zijn leven een indrukwekkend gedicht gemaakt: Aan de onbekende God, dat als een echt gebed beschouwd kan worden: (33)

“Keer tot mij terug,

met al uw martelaren!

Keer tot mij terug,

tot de meest eenzame mens!

Mijn tranen lopen in stromen

naar U,

en ontsteken in mij

het vuur van mijn hart

voor U.

O, mijn onbekende God, keer terug!

Mijn smart, mijn laatste lot, mijn geluk!”

Jutta Burggraf, 2009

REFERENTIES

1. F. NIETZSCHE, La gaya ciencia (1887), Palma de Mallorca 1984, nr.255.

2. Vgl. Las estadísticas publicadas por J. FLYNN, Analfabetismo religioso, en “Zenit” (Agencia Internacional de Información de Roma), 3-V-2007.

3. Vgl. M. GUERRA, Historia de las religiones, Pamplona 1980, vol. 3.

4. Vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, pastorale constitutie Gaudium et Spes (=GS), nr. 4.

5. R. GUARDINI, Cartas del lago de Como, San Sebastián 1957.

6. D. BONHOEFFER, Predigten, Auslegungen, Meditationen I, 1984, pp.196-202.

7. Vgl. Y. CONGAR, Situación y tareas de la teología de hoy, Salamanca 1970: “Si la Iglesia quiere acercarse a los verdaderos problemas del mundo actual..., debe abrir un nuevo capítulo de epistemología teológico-pastoral. En vez de partir solamente del dato de la revelación y de la tradición, como ha hecho generalmente la teología clásica, habrá que partir de hechos y problemas recibidos del mundo y de la historia. Lo cual es mucho menos cómodo; pero no podemos seguir repitiendo lo antiguo, partiendo de ideas y problemas del siglo XIII o del siglo XIV. Tenemos que partir de las ideas y los problemas de hoy, como de un dato nuevo, que es preciso ciertamente esclarecer mediante el dato evangélico de siempre, pero sin poder aprovecharnos de elaboraciones ya adquiridas en la tranquilidad de una tradición segura.” pp.89s.

8. Het Concilie verandert de gewone manier van theologische reflectie en begint de wereld van nu met zijn onevenwichtigheden, angsten en hoop te beschouwen; het stelt zich open voor de tekens van de tijd. “In de dynamiek van zijn geloof, waardoor het gelooft dat het wordt geleid door de Geest van de Heer die de gehele aarde vervult, spant het volk van God zich in om in de gebeurtenissen, eisen en verlangens waarin het samen met de overige mensen van onze generatie deelt te onderkennen wat daarin werkelijke tekenen zijn van de aanwezigheid van God of van Zijn plannen”. GS, 11 en 44; vgl. 4-10. Vgl. JOHANNES XXIII, Bul Humanae salutis (25-12-1961), waardoor de Paus het Tweede Vaticaanse Concilie bijeen heeft geroepen. IDEM, Encycliek Pacem in terris (11-4-1963), 39.

9. Vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Decreet Unitatis redintegratio, 6.

10. J.L. MARTÍN DESCALZO, Razones para la alegría, 8ª ed., Madrid 1988, p.42.

11. Vgl. E. SCHOCKENHOFF, Zur Lüge verdammt, Freiburg 2000, p.73.

12. HEILIGE AUGUSTINUS, Belijdenissen I, 8. Tegelijkertijd worden onze gevoelens afhankelijk van de cultuur anders uitgedrukt. De expressieve waarde van een gebaar, een blik of een glimlach begrijpen, geeft aan dat men zich binnen een bepaalde cultuur beweegt.

13. J. DANIÉLOU, El misterio de la historia. Un ensayo teológico, San Sebastián 1963, pp.39s.

14. S. WEIL, Gravity and Grace, New York 1952, pag. 117.

15. GERTRUD VON LE FORT, Unser Weg durch die Nacht, en Die Krone der Frau, Zürich 1950, pp .90 y ss.

16. Vgl. JOHANNES PAULUS II, apost. Exhortatie Familiaris consortio, 14 en 36.

17 Jes. 43, 4; 49, 16.

18. In deze lijn is deels het verschijnsel van de radicale feministische theologie te verklaren. Waarom zijn er zoveel mensen die niet meer willen spreken van “God de Vader”? Er zijn er niet weinig voor wie het onmogelijk is zich tot God te richten als tot een “Vader”, omdat ze onaangename ervaringen met hun eigen vader hebben opgedaan.

19. Vgl. J. BRADSHAW, Das Kind in uns, München 1992, p.66.

20. M. MALINSKI; A. BUJAK, Juan Pablo II: historia de un hombre, Barcelona 1982, p.106. En ciertas situaciones, sin embargo, la Iglesia debe enseñar con autoridad, pero sin “autoritarismo”, es decir, con autoridad y humildad.

21. Men spreekt ook van een “verhalende theologie” die door middel van de gebeurtenissen en concrete feiten het handelen van de Geest in de wereld tracht te ontdekken. Sommige schrijvers vertellen hun eigen leven (Vgl. J. SUDBRACK, Gottes Geist ist konkret. Spiritualität im christlichen Kontext, Würzburg 1999, pp.3-31); andere ontlenen voorbeelden aan de literatuur of de geschiedenis om te laten zien hoe God in alle gebeurtenissen handelt (Vgl. V. CODINA, Creo en el Espíritu Santo. Pneumatología narrativa, cit., pp.11-27 y pp.179-185). De vertellende pneumatologie verandert soms in hagiografie. Het feit dat sommige grote heiligen zich door het lezen van de levens van andere heiligen hebben bekeerd is veelzeggend. Zo heeft Edith Stein bijvoorbeeld het geloof ontdekt door de “Autobiografie” van Theresa van Avila te lezen. Hans Urs von Balthasar en René Laurentin zijn, onder andere schrijvers, begonnen met een theologie die uitgaat van de heiligen die een heel concrete boodschap hebben voor hun tijdgenoten en de latere generaties (Vgl. H.U. VON BALTHASAR, Thérèse de Lisieux. Geschichte einer Sendung, Köln 1950. R. LAURENTIN, Vie de Bernadette, Paris 1978. IDEM, Vie de Catherine Labouré, Paris 1980).

22. “Bonum potest inveniri sine malo; sed malum non potest inveniri sine bono”. HEILIGE THOMAS VAN AQUINO, Summa theologiae I-IIae q. 109, a.1, ad 1.

23. “Omne verum, a quocumque dicatur, a Spiritu Sancto est”. Ibid. Vgl. IDEM, De veritate, q. 1, a.8.

24. Vgl. BENEDICTUS XVI, Encycliek Deus caritas est (25-12-2005).

25. Vgl. HEILIGE AUGUSTINUS, “He aquí que son tres: el Amante, el Amado y el Amor.” De Trinitate, VIII,10,14: PL 42, 960.

26. Vgl. BENEDICTUS XVI, interview voor Radio Vaticaan en vier Duitse tv-zenders naar aanleiding van zijn a.s. reis naar Duitsland, Castelgandolfo 5-8-2006.

27. Vgl. 1 Cor 14, 19.

28. Het gaat duidelijk om heel onvolmaakte beelden die iedere keer meer verklaringen vereisen.

29. G. PHILIPS, Deux tendances dans la théologie contemporaine, in Nouv. Rev. Théol (1963/3), pag. 236.

30. J. DANIÉLOU, Mitos paganos, misterio cristiano, Andorra 1967, p.123.

31 Het moment zal komen waarop men –met zorgvuldigheid– sommige “technische” termen –zoals persoon, relatie of natuur– kan gaan gebruiken. Deze zijn altijd bij de formulering van de grote dogma’s gebruikt. De theologie heeft –zoals iedere wetenschap– een heel precieze terminologie waar we geen afstand van mogen doen. Veel woorden in de dogmatische formuleringen komen uit de filosofie; na een lange geschiedenis van discussies tussen het geloof en de filosofie zijn ze de specifieke uitdrukking geworden van wat het geloof over zichzelf kan zeggen. Daarom zijn deze woorden niet alleen de taal van het platonisme, aristotelisme of van welke andere filosofie dan ook, maar behoren ze bij de taal die eigen is aan het geloof. Natuurlijk staat de openbaring boven alle culturen. Maar bij het doorgeven van de Blijde Boodschap van Christus, geeft men ook iets van de cultuur door.

32. Vgl. Phil. 3, 20.

33. Vgl. F. NIETZSCHE, in F. WÜRZBACH (uitg.), Das Vermächtnis Friedrich Nietzsches, Salzburg – Leipzig 1940.

  • prof.dr. Jutta Burggraf