Decreet ‘Presbyterorum ordinis’

Tweede Vaticaans Concilie, Decreet over het ambt en het leven van de priesters ‘Presbyterorum ordinis’ (hoofdstuk II, nr. 9). Uittreksel van het decreet waarin gesproken wordt over de relatie van de priesters met de leken. In het Opus Dei is sprake van een organische samenwerking tussen priesters en leken.

Boeken en teksten
Opus Dei - Decreet ‘Presbyterorum ordinis’

De omgang van de priesters met de leken

9. Ofschoon de priesters van het Nieuwe Verbond op grond van het wijdingssacrament in en voor het volk van God de zeer belangrijke en noodzakelijke taak van vader en leraar uitoefenen, zijn zij toch samen met alle christengelovigen leerlingen van de Heer, door de genade van de roepende God deelachtig geworden aan zijn rijk.(vgl. 1 Tess. 2,12; Kol. 1,13) Want de priesters zijn met allen die door het doopsel zijn herboren broeders onder broeders, (Vgl. Mt. 23,8. ‘Wij moeten als broeders van de mensen handelen, juist omdat wij hun herders, vaders en leermeesters willen zijn’: Paulus VI, encycliek Ecclesiam suam, 6 augustus 1964: AAS 58, 1964, p. 647.) omdat zij ledematen zijn van een en hetzelfde lichaam van Christus, waarvan de opbouw aan allen is opgedragen.(vgl. Ef. 4,7, 16); Const. Apost., VIII, 1, 20: ‘Laat ook geen bisschop zich boven de diakens of priesters verheffen, noch ook de priesters boven het volk; want het opbouwen van een gemeenschap gaat van beiden uit’: uitg. F. X. Funk, I, p. 467.)

De priesters moeten dus zo leiding geven, dat zij niet uit zijn op eigen belang, maar op dat van Jezus Christus (vgl. Fil. 2,21) en hun werk verrichten samen met de lekengelovigen en zich onder hen gedragen naar het voorbeeld van de Meester, die onder de mensen ‘niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mt. 20,28). De priesters moeten oprecht de eigen waardigheid van de leken en het aandeel dat zij hebben in de zending van de Kerk erkennen en bevorderen. Ook moeten zij ijverig de rechtmatige vrijheid die aan iedereen in de aardse stad toekomt in ere houden. Zij moeten graag naar de leken luisteren, in broederlijke gezindheid met hun wensen rekening houden, hun ervaring en competentie op de diverse terreinen van de menselijke activiteit erkennen, om samen met hen de tekenen destijds te kunnen onderkennen. Wanneer zij de geesten beproeven, of ze uit God zijn, (vgl. 1 Joh. 4,1) moeten zij de veelvormige genadegaven van de leken, lagere zowel als hogere, met geloofszin trachten te ontdekken, ze met blijdschap erkennen en ijverig bevorderen. Onder de gaven echter van God die overvloedig in de gelovigen worden aangetroffen, verdienen die bijzondere zorg waardoor niet weinigen tot een hoger geestelijk leven worden aangetrokken. Eveneens moeten zij vol vertrouwen taken ten dienste van de Kerk aan leken toevertrouwen, terwijl zij hun vrijheid en ruimte van handelen laten, hen er zelfs op een geschikte manier toe brengen om ook uit eigen beweging werkzaamheden op zich te nemen. (vgl. Vaticanum II, dogm. const. over de Kerk, Lumen gentium, n. 37: AAS 57, 1965, pp. 42-43.)

Tenslotte zijn de priesters te midden van de leken aangesteld om allen te leiden tot de eenheid van liefde, ‘elkaar hartelijk beminnend met broederlijke genegenheid en elkaar overtreffend in eerbetoon’ (Rom. 12,10). Het is dus hun taak om de uiteenlopende mentaliteiten zo met elkaar in overeenstemming te brengen, dat niemand zich in de gemeenschap van gelovigen een buitenstaander voelt. Zij zijn de verdedigers van het algemeen welzijn, waarvoor zij in naam van de bisschop zorg dragen, maar tevens zijn zij fervente verdedigers van de waarheid, opdat de gelovigen niet door elke windvlaag inzake de leer heen en weer worden geslingerd. (vgl. Ef. 4,14) Aan hun bijzondere zorg worden nog toevertrouwd degenen die van de praktijk van de sacramenten, zelfs misschien van het geloof, zijn afgevallen. Zij mogen niet nalaten hen als goede herders tegemoet te treden.

Lettend op de voorschriften betreffende de oecumenische beweging, (vgl. Vaticanum II, decr. over de katholieke deelneming aan de oecumenische beweging, Unitatis redintegratio: AAS 57, 1965, pp. 90 vv.) moeten zij niet die broeders vergeten die niet in volledige kerkelijke gemeenschap met ons leven.

Tenslotte worden hun bijzonder aanbevolen al degenen die Christus, de Zaligmaker, niet erkennen.

De christengelovigen zelf moeten zich er echter van bewust zijn, dat zij verplichtingen hebben jegens hun priesters, die zij daarom dan ook met een kinderlijke liefde als hun herders en vaders moeten bejegenen; eveneens moeten zij hun priesters, als deelgenoten in hun zorgen, naar vermogen te hulp komen met gebed en goede werken, zodat zij des te beter de moeilijkheden kunnen overwinnen en des te vruchtbaarder hun taken kunnen vervullen. (vgl. Vaticanum II, dogm. const. over de Kerk, Lumen gentium, n. 37: AAS 57, 1965, pp. 42-43.)