De wereld hartstochtelijk liefhebben

Homilie van de stichter: ‘De wereld hartstochtelijk liefhebben’ (uit ‘Gesprekken met mgr. Escrivá’, De Boog, Utrecht 1990). In deze preek vat de heilige stichter van het Opus Dei de boodschap samen die hij sinds 1928 verkondigde.

Boeken en teksten
Opus Dei - De wereld hartstochtelijk liefhebben

(Homilie op de campus van de Universiteit van Navarra op 8 oktober 1967)

Jullie hebben zojuist naar de plechtige lezing van twee teksten uit de heilige Schrift geluisterd, die bij de Mis van de 21ste zondag na Pinksteren horen. Door het luisteren naar het woord van God hebben jullie je al verplaatst in de sfeer waarin mijn woorden tot jullie zich zullen bewegen. Het zijn de woorden van een priester, gericht tot een grote familie van kinderen van God in Zijn heilige Kerk, woorden dus die bovennatuurlijk bedoeld willen zijn, die van de grootheid van God en van zijn barmhartigheid spreken en die jullie moeten voorbereiden op de indrukwekkende eucharistieviering die wij vandaag op de campus van de Universiteit van Navarra houden.

Laten we een moment stilstaan bij wat ik zojuist gezegd heb. Wij vieren nu de heilige Eucharistie, het sacramentele offer van het Lichaam en Bloed van de Heer, dit geheim van het geloof, dat alle geheimen van het christendom in zich verenigt. Wij vieren dus de meest heilige en verheven handeling die wij mensen, dankzij de genade van God, in dit leven kunnen verrichten. Want als wij het Lichaam en het Bloed van de Heer ontvangen, ontdoen wij ons in zekere zin al van de boeien van ruimte en tijd en verenigen wij ons met God in de hemel, waar Christus zelf elke traan uit onze ogen zal drogen, waar de dood niet meer zal zijn, noch het geweeklaag of de vermoeienis, want de oude wereld zal reeds voorbij zijn (vgl. Apok 21,4).

Deze zo diepe en troostvolle waarheid, de eschatologische zin van de Eucharistie zoals de theologen gewoonlijk zeggen, kan echter verkeerd begrepen worden. En dat gebeurt inderdaad steeds wanneer men tracht het christelijke bestaan als iets louter spiritueels of, beter gezegd, spiritualistisch op te vatten; als een leven dat alleen voor onbesmette, buitengewone mensen bedoeld is, die zich niet met de verachtelijke dingen van deze wereld inlaten of ze hooguit verdragen als iets wat, terwijl wij hier leven, noodzakelijk gepaard gaat met de geest.

Wanneer men de dingen zo ziet, wordt het kerkgebouw de plaats bij uitstek van het christelijk leven. Christen–zijn betekent dan naar de kerk gaan, deelnemen aan sacrale ceremonies en zich opsluiten in een kerkelijke sociologie, in een soort afgescheiden wereld die zichzelf presenteert als het voorportaal van de hemel, terwijl de gewone wereld zijn eigen gang gaat. De leer van het christendom en het leven van de genade zouden op die manier de jachtige loop van de menselijke geschiedenis hoogstens even raken, maar zonder er echt contact mee te krijgen.

Terwijl wij ons op deze oktobermorgen voorbereiden op de viering van de gedachtenis van dood en verrijzenis van de Heer, willen wij tegenover deze misvormde kijk op het christendom een duidelijk neen laten horen. Kijk eens naar het decor van onze Eucharistie, van onze dankzegging. Wij zijn in een heel speciaal godshuis. De campus van de universiteit, zou je kunnen zeggen, is het schip; de universiteitsbibliotheek het altaar, daarginds staan de machines voor de bouw van nieuwe gebouwen en boven ons de hemel van Navarra...

Door deze opsomming wordt toch op een beeldende en onvergetelijke wijze onderstreept, dat het dagelijkse leven de echte plaats is van jullie christelijk bestaan? Mijn kinderen, daar onder jullie broers en zussen, de mensen, in jullie idealen, jullie werk en jullie liefde, dáár is de plaats van jullie dagelijkse ontmoeting met Christus. Daar, te midden van de meest materiële dingen, moeten wij ons heiligen door God en alle mensen te dienen.

Voortdurend heb ik het onderwezen met woorden uit de heilige Schrift: de wereld is niet slecht, want zij is voortgekomen uit de handen van God, want zij is zijn scheppingswerk, want Jahweh keek ernaar en zag dat het goed was (vgl. Gen 1,7 e.v.). Wij mensen zijn het die met onze zonden en ontrouw de wereld slecht en lelijk maken. Jullie hoeven er niet aan te twijfelen: voor jullie, mannen en vrouwen van de wereld, staat elke vlucht uit de eerlijke werkelijkheid van het leven van alledag haaks op de wil van God.

Jullie moeten je er nu opnieuw goed van bewust zijn, dat God jullie roept om Hem juist in en vanuit de burgerlijke, materiële, wereldlijke taken van het menselijke leven te dienen: in het laboratorium, in de operatiekamer, in de kazerne of op de leerstoel van een universiteit, in de fabriek, in de werkplaats, op het land, in de huishouding, in heel dit immense panorama van het dagelijks werk wacht God elke dag weer op ons. Beseft het goed: in elke situatie, hoe alledaags ook, is iets heiligs, iets goddelijks te vinden. Aan jullie de taak dat te ontdekken.

Aan studenten en arbeiders die ik in de jaren dertig om me heen verzamelde, zei ik altijd dat ze moesten leren het geestelijke leven te materialiseren. Ik wilde ze daarmee beschermen tegen de toen en ook nu nog zo vaak voorkomende verleiding om een soort dubbelleven te leiden: aan de ene kant het innerlijke leven, de omgang met God, en aan de andere kant, goed onderscheiden, het leven in gezin, beroep en maatschappij, een leven vol kleine aardse dingen.

Nee, mijn kinderen! Jullie mogen geen dubbelleven leiden. Als wij christenen willen zijn, kunnen wij met dat soort schizofrenie niet meedoen. Want er is maar één leven, dat uit vlees en geest bestaat, en dat ene leven moet naar lichaam en ziel geheiligd en door God vervuld worden: door deze onzichtbare God, die wij in heel zichtbare en materiële dingen ontmoeten.

Een andere weg is er niet. Of we leren de Heer in ons dagelijks leven ontdekken of we zullen Hem nooit vinden. Onze tijd heeft het nodig dat aan de materie en aan heel gewoon lijkende situaties hun edele en oorspronkelijke zin teruggegeven wordt, dat ze in dienst van Gods rijk gesteld worden en dat ze vergeestelijkt worden door er een middel en een gelegenheid van te maken om Christus voortdurend te ontmoeten.

De echt christelijke geest die de verrijzenis van het vlees belijdt, heeft zich logischerwijze altijd verzet tegen een valse vergeestelijking zonder bang te zijn van materialisme beschuldigd te worden. Integendeel, het is geoorloofd van een christelijk materialisme te spreken dat zich dapper te weer stelt tegen materialistische stromingen die zich afsluiten voor de geest.

Wat zijn de sacramenten – sporen van de Menswording van het Woord, zoals de ouden zeiden – anders dan de meest duidelijke uiting van de weg, die God gekozen heeft om ons te heiligen en naar de hemel te leiden? Zien jullie niet dat elk sacrament de liefde van God is – met al haar scheppende en verlossende kracht – die ons gegeven wordt met behulp van stoffelijke middelen? Wat is de Eucharistie, die wij over enige ogenblikken zullen vieren, anders dan het hoogverheven Lichaam en Bloed van onze Verlosser die zich voor ons offert door middel van de nederige materie van deze wereld, wijn en brood, door middel van de elementen van de natuur die door de mens gecultiveerd zijn (vgl. Gaudium et Spes, 38), zoals het laatste oecumenisch concilie in herinnering heeft willen brengen?

In dit licht is het goed te begrijpen dat de heilige Paulus schrijft: Alles behoort jullie toe, maar jullie behoren aan Christus toe en Christus aan God (1 Kor 3,22–23). Het gaat om een opwaartse beweging die de heilige Geest, uitgestort in onze harten, in de wereld wil veroorzaken: een beweging die van de aarde opstijgt tot aan de heerlijkheid van God. En om voor altijd duidelijk te maken dat die beweging zelfs de meest prozaïsch lijkende realiteiten omvat, schrijft de heilige Paulus ook: Of jullie nu eten of drinken, doet alles ter ere van God (1 Kor 10,31).

Deze leer van de heilige Schrift – en zoals jullie weten behoort die tot de kern van de spiritualiteit van het Opus Dei – moet jullie ertoe brengen jullie werk zo volmaakt mogelijk te doen, God en jullie medemensen zo lief te hebben dat jullie juist in de kleine dingen van elke dag je liefde legt. Dan zullen jullie dit goddelijk iets ontdekken dat in die kleinigheden besloten ligt. Hoe goed passen hier die verzen van de dichter van Castilla!: Despacito, y buena letra: / el hacer las cosas bien / importa más que el hacerlas (Schrijf rustig en met mooie letters, want belangrijker dan het doen, is de dingen goed te doen. A. Machado, Poesias completas, CLXI).

Ik verzeker jullie dat, als een christen de onbenulligste kleinigheid van elke dag met liefde doet, die kleinigheid met de grootheid van God vervuld wordt. Dat is de reden waarom ik er steeds maar weer op hamer, dat de christelijke roeping erin bestaat van het proza van elke dag heldendichten te maken. Hemel en aarde lijken aan de horizon een te worden. Maar in werkelijkheid gebeurt dat in jullie harten, wanneer jullie je dagelijks leven op heilige wijze leiden.

Het gewone van elke dag heilig beleven, zei ik zojuist. Met die woorden bedoel ik het hele programma van jullie christelijk handelen. Geef je dus niet over aan vals idealisme, aan dromen en fantasieën, aan wat ik pleeg te noemen ach–was–ik–maar–mystiek: Was ik maar ongetrouwd gebleven, had ik maar een ander beroep gekozen, was ik maar gezonder, was ik nog maar jong, was ik toch maar ouder ...! Houd je liever nuchter aan de heel materiële en directe realiteit, want daar is de Heer: Kijk naar mijn handen en voeten; Ik ben het, zegt Jezus na zijn verrijzenis. Raak me aan en overtuig jezelf. Een geest heeft toch geen vlees en bloed, zoals jullie zien dat Ik heb? (Luc 24,39)

Vele aspecten van de omgeving waarin jullie je bewegen zullen verlicht worden vanuit deze waarheden. Denk, bijvoorbeeld, aan jullie handelen als burgers in het openbare leven. Wie ervan overtuigd is dat de wereld, en niet alleen het kerkgebouw, de plaats is waar je Christus ontmoet, heeft de wereld echt lief. Hij doet moeite om een goede wetenschappelijke en professionele vorming te ontvangen, hij vormt – in volle vrijheid – zijn eigen mening over de problemen waarmee hij in zijn omgeving te maken heeft, en neemt in overeenstemming daarmee zijn persoonlijke beslissingen. Als christen zal hij aan zijn beslissing een persoonlijke bezinning laten voorafgaan, waarin hij er nederig naar streeft om de wil van God in de grote en kleine gebeurtenissen van zijn leven te leren zien.

Maar een christen zal nooit op het idee komen te denken of te zeggen, dat hij van het kerkgebouw naar de wereld afdaalt om daar de Kerk te vertegenwoordigen, of dat zijn opvattingen de katholieke opvattingen voor de betreffende problemen zijn. Dat mag in geen geval! Dat zou klerikalisme, officieel katholicisme of hoe je het verder noemen wilt, zijn. In elk geval zou op die wijze aan de natuur der dingen geweld aangedaan worden. Aan jullie de taak om overal een echte lekenmentaliteit te verspreiden, die tot drie conclusies moet leiden:

– je moet eerlijk genoeg zijn om je persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen;

– je moet christen genoeg zijn om ook die broeders in het geloof te respecteren die in kwesties waarover je van mening kunt verschillen, andere opvattingen hebben dan jijzelf;

– je moet katholiek genoeg zijn om je niet van onze Moeder de Kerk te bedienen door haar bij zuiver menselijke partijbelangen te betrekken.

Het is duidelijk dat jullie op dit en op ieder ander terrein dit programma van heiligheid in het gewone leven niet kunnen verwezenlijken, als je niet die volledige vrijheid geniet, die aan de mens – ook volgens de leer van de Kerk – op grond van zijn waardigheid als evenbeeld van God toekomt. De persoonlijke vrijheid – en als ik over vrijheid praat bedoel ik natuurlijk altijd de verantwoordelijke vrijheid – is van essentiële betekenis voor het christelijke leven.

Jullie moeten mijn woorden dus zo opvatten als ze bedoeld zijn: als een uitnodiging om elke dag weer, en niet alleen in speciale noodsituaties, jullie rechten uit te oefenen; om eerlijk jullie plichten als staatsburgers in de politiek, de economie, het universitaire leven en het beroep te vervullen, en om moedig de gevolgen van jullie persoonlijke beslissingen en ook de last van de jullie toekomende persoonlijke onafhankelijkheid op je te nemen. Deze christelijke lekenmentaliteit zal jullie in staat stellen om iedere vorm van intolerantie en fanatisme te vermijden. Of, positief uitgedrukt, die mentaliteit zal jullie helpen om in vrede te leven met al jullie medeburgers en om het vreedzame samenleven in de onderscheiden sectoren van de maatschappij te bevorderen.

Ik weet dat het eigenlijk overbodig is aan al die dingen te herinneren, die ik al vele jaren steeds herhaald heb. De grote waardering voor de persoonlijke vrijheid, voor een vreedzame samenleving en wederzijds begrip is immers een essentieel bestanddeel van de boodschap die het Opus Dei overal brengt. Daarom hoef ik niet opnieuw te bevestigen dat de mannen en vrouwen die besloten hebben Christus in het Opus Dei te dienen, gewone burgers zoals de anderen zijn, die ernaar streven om hun christelijke roeping serieus en met verantwoordelijkheid tot in de laatste consequenties in praktijk te brengen.Niets onderscheidt de leden van het Opus Dei van hun medeburgers. Integendeel, ze hebben – afgezien van het geloof – niets met religieuzen gemeen. Ik houd van religieuzen, en ik waardeer en bewonder hun kloosterleven, hun apostolaat en hun verzaking aan de wereld, hun contemptus mundi. Het zijn andere tekenen van heiligheid in de Kerk. Maar aan mij heeft de Heer niet de roeping van religieus gegeven, en die voor mij te verlangen zou niet juist zijn. Net zo min als er een autoriteit op de wereld is die mij kan dwingen om te trouwen, net zo min kan iemand mij verplichten kloosterling te worden. Ik ben een seculier priester van Jezus Christus, een priester die hartstochtelijk van de wereld houdt.

Wie samen met mij, een arme zondaar, Christus zijn gevolgd, zijn een klein percentage priesters, die vroeger als leek een beroep gehad hebben; verder een groot aantal seculiere priesters uit veel bisdommen op de hele wereld die op die manier hun gehoorzaamheid aan de eigen bisschop, hun liefde en de doeltreffendheid van hun diocesane activiteiten bekrachtigen, met hun armen wijd open als die van een gekruisigde, zodat alle mensen in hun hart een plaats vinden, en die – zoals ik – leven midden in de wereld en midden onder de mensen die ze liefhebben; en ten slotte, deze menigte mannen en vrouwen van verschillende nationaliteiten, talen en rassen – de meerderheid getrouwd, vele anderen ongetrouwd – die van hun beroepsarbeid leven en actief meewerken aan de belangrijke taak om de maatschappij menselijker en rechtvaardiger te maken. Staande naast hun medemensen, schouder aan schouder, doen zij in persoonlijke verantwoordelijkheid – herhaal ik – hun dagelijkse werk, ze hebben succes en tegenslag, doen moeite om hun rechten en plichten in de maatschappij serieus te nemen. Zonder mentaliteit van “uitverkorenen” gedragen ze zich in hun beroep heel natuurlijk, zoals elke christen die zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is, zoals ieder ander van hun collega's. En zij proberen dat goddelijke licht te ontdekken, dat zelfs uit de meest alledaagse dingen ineens kan schitteren.

Ook de instellingen die het Opus Dei als vereniging bevordert, dragen die door en door wereldlijke kenmerken. Het gaat hier niet om kerkelijke projecten die in naam en in opdracht van de kerkelijke hiërarchie opgezet worden, maar gewoon om initiatieven voor menselijke, culturele en sociale vorming, die door burgers in het leven geroepen en geleid worden. Maar het zijn burgers, die ernaar streven om in die instellingen het licht van het evangelie en de warmte van de liefde van Christus te verspreiden. Om een voorbeeld te noemen: het is niet de taak van het Opus Dei, en het zal dat ook nooit worden, diocesane priesterseminaries te leiden waarin de bisschoppen, door de Heilige Geest aangesteld (Hnd 20,28), hun toekomstige priesters opleiden.

Wel bevordert het Opus Dei op de hele wereld de bouw en instandhouding van vormingscentra voor arbeiders in de industrie en in de landbouw, van scholen voor basis– en middelbaar onderwijs en van universiteiten, verder van velerlei andere instellingen, want het werkterrein van het apostolaat is – zoals ik jaren geleden eens geschreven heb – als een zee zonder oevers.

Maar waarom zou ik hier langer bij stil blijven staan, als jullie aanwezigheid hier veel meer zegt dan een lange redevoering? Jullie, vrienden van de Universiteit van Navarra, maken deel uit van een volk, dat zich verplicht weet tot de vooruitgang van de maatschappij waartoe het behoort. Jullie hartelijk medeleven, jullie gebed en jullie onbaatzuchtige hulp lopen niet via de kanalen van een katholiek confessionalisme. Jullie medewerking is eerder een duidelijk bewijs van de rechtschapen gezindheid, waarmee jullie als staatsburgers voor het tijdelijke welzijn zorg dragen. Jullie getuigen ervan dat een universiteit vanuit de krachten van een volk geboren kan worden en door het volk in stand gehouden kan worden.

En daarom zou ik ze allemaal opnieuw voor de medewerking aan onze universiteit willen danken: de stad Pamplona, de provincie Navarra en de vrienden van de universiteit, die uit alle streken van Spanje afkomstig zijn en onder wie zich ook, tot mijn grote blijdschap, niet–Spanjaarden en niet–katholieken en zelfs niet–christenen bevinden die daadwerkelijk bewijzen dat ze het doel en de geest van deze onderneming begrepen hebben.

Zij allen dragen ertoe bij dat de universiteit een steeds levendiger brandpunt van burgerlijke vrijheid, intellectuele opleiding en beroepsijver wordt en nieuwe impulsen aan de universitaire vorming geeft. Jullie edelmoedige opoffering is de basis voor de realisering van een universeel werk, dat streeft naar de verbetering van de menselijke wetenschap, naar sociale vooruitgang en naar de vorming in het geloof.

Het volk van Navarra heeft dat allemaal duidelijk begrepen en ziet in zijn universiteit niet op de laatste plaats een factor ten gunste van de economische en vooral sociale vooruitgang van de regio. Want de universiteit heeft voor veel jongeren uit de regio de toegang tot academische beroepen mogelijk gemaakt, wat anders in elk geval moeilijker en in bepaalde gevallen zelfs onmogelijk zou zijn geweest. Het duidelijke besef van de betekenis die de universiteit voor de regio zou kunnen krijgen was zeker de reden voor de steun, die Navarra aan de universiteit van meet af aan verleend heeft, een steun, die ongetwijfeld steeds omvangrijker en enthousiaster zal moeten zijn.

Ik hoop nog steeds – het zou trouwens rechtvaardig zijn en het is in veel landen gebruikelijk – dat ook de Spaanse staat op zekere dag bereid zal zijn om de last te verlichten van een onderneming die geen privé–voordeel zoekt, maar die zich uitsluitend wijdt aan de dienst aan de maatschappij, en die ernaar streeft om doelgericht aan het tegenwoordig en toekomstig welzijn van het hele land mee te werken.

En sta me nu toe, mijn zonen en dochters, dat ik een ogenblik bij een ander aspect van het dagelijkse leven stil blijf staan dat mij bijzonder na aan het hart ligt. Ik bedoel de menselijke liefde, de zuivere liefde tussen man en vrouw in de verlovingstijd en in het huwelijk. Al langer dan veertig jaar verkondig ik telkens opnieuw in woord en geschrift, dat die heilige menselijke liefde niet alleen iets is wat geoorloofd of geduld wordt als een randverschijnsel van de echte geestelijke waarden, zoals geïnsinueerd zou kunnen worden in het valse spiritualisme dat ik zojuist noemde. Vandaag de dag beginnen daar eindelijk ook die mensen begrip voor te krijgen, die dat tot nu toe nog niet hadden.

De liefde die tot het huwelijk en tot het gezin leidt kan ook een weg naar God zijn, een schitterende weg, een roeping, een wijze van volledige toewijding aan de Heer. Probeer jullie werk zo volmaakt mogelijk te doen, heb ik net gezegd, doe die kleine dingen van elke dag met liefde, ontdek – ik herhaal het – dit goddelijke iets dat in het kleine ligt opgesloten. Daar, in die zo vitale sector van de menselijke liefde, krijgt deze leer een zeer bijzondere betekenis.

Professoren, studenten en jullie allemaal die hier werken voor de Universiteit van Navarra: jullie weten dat ik jullie liefde aan de heilige Maria, Moeder van de Schone Liefde, heb aanbevolen. Daar zien jullie het kapelletje dat we ter ere van haar op de campus van de universiteit gebouwd hebben. Zij is daar om jullie gebeden en het geschenk van jullie prachtige en zuivere liefde in ontvangst te nemen en te zegenen.

Weten jullie niet dat jullie lichaam een tempel is van de Heilige Geest die jullie van God hebben ontvangen, en dat jullie niet meer aan jezelf toebehoren? (1 Kor 6,19). Hoe vaak zullen jullie voor dit beeld van Maria, Moeder van de Schone Liefde, met blijde instemming de vraag van de apostel beantwoorden: ja, wij weten het en met uw machtige hulp, Maagd en Moeder van God, zullen wij ernaar leven!

En jullie zullen de wens voelen opkomen om te bidden, telkens als jullie nadenken over deze indrukwekkende werkelijkheid: de Heilige Geest heeft zoiets stoffelijks als mijn eigen lichaam uitgekozen om daarin te komen wonen... ik behoor niet meer aan mezelf toe,... mijn lichaam en mijn ziel – mijn hele wezen – zijn van God... En dit gebed zal rijk zijn aan praktische gevolgen, die allemaal voortkomen uit hetgeen de apostel Paulus zelf ons vervolgens voorstelt: Verheerlijkt dus God in jullie lichaam (1 Kor 6,20).

Bovendien zullen jullie niet ontkennen dat slechts onder degenen die de menselijke liefde in zijn hele diepte begrijpen en waarderen, begrip kan ontstaan voor dat andere verheven goed, waarover Jezus spreekt (vgl. Mt 19,11). Ik bedoel deze zuivere genadegave van God, die de mens aanzet zijn lichaam en ziel aan de Heer te geven en Hem, zonder tussenkomst van een aardse liefde, een ongedeeld hart aan te bieden.

Mijn kinderen, het is tijd om te eindigen. Aan het begin zei ik dat ik jullie iets van de grootheid en de barmhartigheid van God wilde verkondigen. Ik denk dat ik dit gedaan heb door te spreken over het heiligen van het alledaagse leven. Want een geheiligd leven te midden van de aardse realiteit – zonder lawaai, in eenvoud en waarachtigheid – is dat vandaag de dag niet de meest aangrijpende verkondiging van de magnalia Dei, van de grote daden van de Heer (Sir 18,5), van de machtige barmhartigheid, die God altijd al heeft betoond en blijft betonen om de wereld te redden?

En nu wil ik jullie met de woorden van de psalmist vragen om je met mij in gebed en lofprijzing te verenigen: Magnificate Dominum mecum et extollamus nomen eius simul, verheerlijkt met mij de Heer, verheffen wij zijn naam eenparig (Ps 33,4). Met andere woorden: laten wij uit het geloof leven!

Laten wij het schild van het geloof nemen, de helm van het heil en het zwaard van de geest, dat het woord van God is. Zo spoort de apostel Paulus ons aan in zijn brief aan de Efeziërs (Ef 6,11 e.v.) die we zojuist in de liturgie van het woord gehoord hebben.

Geloof: een deugd die wij, christenen, zozeer nodig hebben, heel in het bijzonder in dit jaar van het geloof, dat onze geliefde Heilige Vader paus Paulus VI heeft uitgeroepen. Waar het geloof afwezig is, ontbreekt eigenlijk het fundament voor de heiliging van het dagelijks leven.

Een levendig geloof hebben we nodig, vooral nu wij het mysterium fidei (1 Tim 3,9), de heilige Eucharistie, naderen en deelnemen aan het Pasen van de Heer, dat heel de barmhartigheid van God met de mensen omvat en verwezenlijkt.

Geloof, mijn kinderen, om te belijden dat over enige ogenblikken hier op dit altaar het werk van onze verlossing vernieuwd wordt (Secreta van de 9de zondag na Pinksteren). Geloof om het Credo met geheel ons hart te bidden en om hier bij deze bijeenkomst, rond het altaar, de tegenwoordigheid van Christus te ervaren. Hij laat ons cor unum et anima una (Hnd 4,32), één van hart en één van ziel zijn en maakt ons tot dat ene gezin, tot Kerk: tot de ene heilige, katholieke, apostolische en roomse, dat wil zeggen universele Kerk.

En geloof hebben we ten slotte nodig, beminde zonen en dochters, om aan de wereld te laten zien dat dit alles niet slechts ceremonies en mooie woorden zijn, maar een goddelijke realiteit die wij aan de mensen door het getuigenis van een gewoon leven aanbieden, een gewoon dagelijks leven, dat met de hulp van Maria geheiligd wordt in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.