Bevoegdheden prelaat Opus Dei

Welke zijn de bevoegdheden van de prelaat van het Opus Dei met betrekking tot de leken en priesters van de prelatuur?

Organisatie
Opus Dei - Bevoegdheden prelaat Opus Dei

Volgens de statuten van de prelatuur van het Opus Dei moet de prelaat voor de gelovigen van het Opus Dei leermeester en vader zijn. In Christus moet hij oprecht van allen houden, ze aanzetten tot een vurige liefde en ze geestelijk vormen, waarbij hij zich met liefde voor hen geeft (vgl. Statuten van de prelatuur van het Opus Dei, art. 132 § 3).

De prelaat bestuurt de prelatuur als bisschop en eigen ordinaris (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, canon 295 en Apostolische constitutie Ut sit, 28 november 1982, art. IV). Zijn jurisdictie is daarom dezelfde als die van de diocesane bisschoppen: er wordt hem een klein deel van het volk van God toevertrouwd. Daarover oefent hij zijn eigen gezag uit, d.w.z. niet gedelegeerd noch als hulpbisschop, om aan het specifieke doel van de prelatuur te voldoen. Zoals de herders van andere kerkelijke circumscripties (d.w.z. kerkelijke rechtsgebieden onder het bestuur van een prelaat, zoals bisdommen, ordinariaten, enz.) valt hij onder het gezag van de paus, in dit geval via de Congregatie voor de bisschoppen.

De relaties tussen de prelatuur en de plaatselijke kerken worden bepaald door de communio met de bisschoppen en doordat de prelatuur hen aanvult en met ze samenwerkt in de evangelisatie-opdracht van de Kerk. Het bestuur van de prelaat en van de diocesane bisschop over hun gelovigen is van dezelfde theologische aard, maar met een functioneel verschil: dat van de prelaat beperkt zich tot de specifieke pastorale zending die aan de prelatuur is toevertrouwd, terwijl de bisschop bevoegd is voor de gewone pastorale zorg voor alle gelovigen.

De inlijving van een persoon bij de prelatuur beperkt de jurisdictie van de bisschop over deze persoon niet. De lekengelovigen van de prelatuur vallen onder het gezag van de diocesane bisschop in alles wat in het algemeen voor de gewone gelovigen is vastgesteld. Zoals alle gelovige katholieken zijn deze lekengelovigen van het Opus Dei vrij en onafhankelijk in hun beslissingen over tijdelijke zaken: op het vlak van hun beroep, in de politiek, enz. (vgl. Statuten, 88 § 3).

De prelaat oefent zijn specifieke jurisdictie uit over de priesters die in de prelatuur zijn geïncardineerd (dat zijn gelovigen van het Opus Dei die na de nodige vorming in vrijheid hebben geaccepteerd priester te worden) en over de leken (vgl. Ut sit, art. III; toespraak heilige Johannes Paulus II, 17 maart 2001).

Naast de gevolgen die uit hun incardinatie in de prelatuur voortvloeien, ontvangen de priesters van de prelaat en van zijn vicarissen de verschillende pastorale taken die eigen zijn aan de prelatuur (vgl. Statuten, 50). De prelaat is verantwoordelijk voor hun theologische, geestelijke en pastorale vorming, en voor hun levensonderhoud en bijstand in geval van ziekte en ouderdom (vgl. Statuten, 54-55).

Het bestuur van de prelaat over de lekengelovigen van het Opus Dei heeft betrekking op hun specifieke geestelijke en apostolische vorming, opdat zij hun dienst aan de Kerk kunnen vervullen en de geestelijke en apostolische verplichtingen kunnen nakomen die voortvloeien uit hun toetreding tot de prelatuur.

De pastorale zorg komt voornamelijk tot uiting in advies en aanmoediging. Binnen de kaders van het algemene kerkelijke recht en van de statuten van de prelatuur, moet de prelaat bijzondere aandacht schenken aan de vervulling van de rechten en plichten die van toepassing zijn op het Opus Dei en aan de getrouwe uitoefening van de beschikkingen van de Heilige Stoel (vgl. Statuten, 132 § 2 en 5). Het apostolaatswerk van de prelatuur komt ten goede aan de plaatselijke kerken. De vicarissen van de prelatuur onderhouden contacten met de plaatselijke kerkelijke autoriteiten (vgl. Statuten, 174 § 1).

Gabriela Eisenring